ABRvS, 4 maart 2015. Verbeurde dwangsommen moeten in beginsel worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Dat is de lijn die de Afdeling sinds haar uitspraak van 20 maart 2013 volgt.
De uitspraak van 4 maart 2015 bevat in dat opzicht niets nieuws, maar de uitspraak is leerzaam omdat hierin bijna alle met regelmaat aangevoerde argumenten tegen invorderingsbeschikkingen de revue passeren en door de Afdeling worden afgedaan.
Beschrijving casus
De overtreder had gebouwd in afwijking van zijn in 2003 verleende bouwvergunning. Het college van B en W van de gemeente Almere had hem bij besluit van 7 januari 2013 de last onder dwangsom opgelegd om vóór 1 juni 2013 de gevelbeplating in overeenstemming met de bouwvergunning te brengen. Dit op straffe van een dwangsom van € 32.500,-- per maand met een maximum van € 300.000,--.
Het college constateerde op 2 juli 2013 dat de gevelbeplating niet geheel in overeenstemming met de bouwvergunning was gebracht en besloot over te gaan tot de invordering van de eerste dwangsom van € 32.500,--. Tegen deze invorderingsbeschikking maakte de overtreder bezwaar. Het college verklaarde dit bezwaar ongegrond. De voorzieningenrechter van de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Tegen deze uitspraak stelde de overtreder hoger beroep in bij de Afdeling.
Argumenten gericht tegen de rechtmatigheid van de last onder dwangsom
De overtreder voert in hoger beroep allereerst argumenten aan die zich richten tegen het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 23 mei 2012 oordeelt de Afdeling dat argumenten die gericht zijn tegen de rechtmatigheid van het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom niet meer aan de orde kunnen komen bij de toetsing van de rechtmatigheid van de invorderingsbeschikking.
Matiging dwangsom
De overtreder betoogt dat de dwangsom had moeten worden gematigd omdat de dwangsom te hoog is en hij door overmacht niet tijdig aan de dwangsom kon voldoen. Een matiging had volgens de overtreder voor de hand gelegen, nu vóór het verstrijken van de begunstigingstermijn de gevelbeplating bijna geheel in overeenstemming met de bouwvergunning was gebracht.
De Afdeling pelt dit argument in drie lagen.
1. Hoogte dwangsom in strijd met artikel 5:32 lid 3 Awb
Ten eerste overweegt de Afdeling dat voor zover de overtreder met dit argument bedoelt te zeggen dat de hoogte van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom, dit argument zich richt tegen het besluit tot de oplegging van de dwangsom. Dergelijke argumenten kunnen in de procedure tegen de invorderingsbeschikking niet meer aan de orde komen.
2. Invordering onredelijk omdat deels uitvoering aan de last was gegeven
Ten tweede overweegt de Afdeling dat voor zover de overtreder bedoelt dat de dwangsom niet volledig had mogen worden ingevorderd omdat grotendeels aan de last was voldaan, dit argument niet kan slagen. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 15 januari 2014 oordeelt de Afdeling dat het enkele feit dat gedeeltelijk aan de last is voldaan onvoldoende is om geheel dan wel gedeeltelijk van invordering af te zien. In die uitspraak nam de Afdeling uiteindelijk wel een uitzondering op de beginselplicht tot invordering aan. Op dit blog heb ik eerder een uiteenzetting gegeven van de redenen op grond waarvan de Afdeling tot dit oordeel kwam.
3. Invordering onredelijk omdat de last wegens overmacht niet tijdig kon worden uitgevoerd
Ten derde overweegt de Afdeling dat voor zover de overtreder bedoelt dat het college geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien omdat hij vanwege overmacht niet in staat was om tijdig aan de last uitvoering te geven, dit argument ook niet kan slagen. Een belangrijke overweging van de Afdeling in dit verband is dat de overtreder niet heeft verzocht om verlenging van de begunstigingstermijn toen bleek dat hij door de weersomstandigheden en de beperkte beschikbaarheid van de aannemer niet tijdig uitvoering aan de last kon geven. Voor overtreders is dit dus een belangrijke les. Zodra duidelijk wordt dat de last niet of niet tijdig kan worden uitgevoerd, zal een overtreder een verzoek tot verlenging van de begunstigingstermijn moeten doen of een verzoek tot opheffing of opschorting van de last op de voet van artikel 5:34 Awb. Doet hij dat niet, dan zal de onmogelijkheid in beginsel geen rol meer kunnen spelen bij de beschikking omtrent invordering van de verbeurde dwangsommen.
Financiële onmacht
Een argument dat de overtreder niet aanvoerde, maar dat in andere zaken wel met enige regelmaat wordt aangevoerd, is dat (deels) van invordering moet worden afgezien omdat de overtreder niet bij machte is de dwangsom te betalen. De Afdeling wijst dit argument vaak af, reeds omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt door de overtreder dat sprake is van financiële onmacht. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2014 en 15 oktober 2014.
Dat de Afdeling op deze manier afdoet, impliceert dat financiële onmacht een reden zou kunnen zijn om (deels) van invordering af te zien. De uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2013 wijst daar ook op. In die uitspraak had de overtreder wel bewijs aangedragen van zijn financiële onmacht, maar oordeelde de Afdeling dat uit dit bewijs niet bleek dat invordering van de verbeurde dwangsommen dermate grote financiële gevolgen zou hebben dat al dan niet gedeeltelijk van invordering moest worden afgezien.
Illegale situatie is alsnog gelegaliseerd
Ook het feit dat de illegale situatie na het verbeuren van de dwangsom alsnog is gelegaliseerd, levert geen bijzondere omstandigheid op op grond waarvan van handhaving zou moeten worden afgezien. Dat heeft de Afdeling duidelijk gemaakt in haar uitspraak van 18 mei 2014. In die zaak was de last opgelegd om een zonder omgevingsvergunning aangelegde sleufsilo te verwijderen. Aan die last werd geen uitvoering gegeven, zodat de dwangsommen verbeurden. Later kreeg de overtreder alsnog een omgevingsvergunning voor de sleufsilo. De Afdeling maakte in de procedure tegen de invorderingsbeschikking duidelijk dat dat niet baat.
ECLI:NL:RVS:2015:648
Dit is een blog van Jaap IJdema van Adriaanse van der Weel Advocaten over uitspraken op het gebied van herstelsanctiebesluiten.
vrijdag 6 maart 2015
dinsdag 17 februari 2015
Nieuwe begunstigingstermijn te kort
CBB, 30 januari 2015. De Staatssecretaris van Economische Zaken legde bij besluit van 13 maart 2013 een last onder dwangsom op aan een varkenshouder om de overtreding van artikel 2a lid 1 Varkensbesluit (per 1 juli 2014 vervangen door het Besluit houders van dieren) binnen drie maanden te beëindigen. Dat artikel bepaalt dat o.a. gebruiksvarkens en gespeende varkens in afzonderlijke groepen moeten worden gehouden.
De varkenshouder maakte bezwaar en voerde in bezwaar aan dat de begunstigingstermijn te kort was. Ter onderbouwing legde hij een rapport van DLV over de mogelijkheden om uitvoering te geven aan de last onder dwangsom over. De Staatssecretaris verklaarde het bezwaar bij besluit van 28 april 2014 op dit punt gegrond en verlengde de begunstigingstermijn tot 1 juli 2014.
Tegen dat besluit stelde de varkenshouder beroep in. Hij betoogde dat ook de nieuwe begunstigingstermijn te kort was. De Staatssecretaris bestreed dat en voerde aan dat de varkenshouder sinds 2005 wist dat hij per 1 januari 2013 aan artikel 2a lid 1 Varkensbesluit zou moeten voldoen en dat het steeds weer verlengen van de begunstigingstermijn zou neerkomen op gedogen.
Het CBB oordeelt dat de Staatssecretaris zich voor wat betreft de nieuwe begunstigingstermijn heeft gebaseerd op het rapport van DLV en dat geen van de in het rapport genoemde alternatieven binnen de nieuwe begunstigingstermijn gerealiseerd kon worden. De varkenshouder had voorts het rapport pas medio februari 2014 ontvangen, terwijl in het rapport ervan uitgegaan werd dat begin februari 2014 de financiering rond zou zijn. Het CBB stelde verder vast dat de financiering inmiddels rond was en dat de varkenshouder in mei was begonnen met de bouw van de nieuwe stal, teneinde uitvoering aan de last te kunnen geven en dat de huidige planning reëel was. Op grond van deze overwegingen oordeelde het CBB dat de nieuwe begunstigingstermijn te kort was en vernietigt het de bestreden beslissing.
Als het bestuursorgaan in bezwaar tot de conclusie komt dat een begunstigingstermijn te kort is, dan kan het in de beslissing op bezwaar een nieuwe begunstigingstermijn geven. De constatering dat de oorspronkelijke begunstigingstermijn te kort was, betekent niet dat de last ten onrechte is opgelegd. De overtreder was en blijft derhalve gehouden om uitvoering aan de last te geven, ook als hij vindt - en achteraf komt vast te staan - dat de geboden begunstigingstermijn te kort is.
Dat betekent dat het bestuursorgaan niet vanaf de bekendmaking van de beslissing op bezwaar weer een nieuwe termijn hoeft te laten ingaan. Het volstaat om de oorspronkelijke termijn te verlengen. De vraag die het bestuursorgaan zich daarbij moet stellen is hoeveel tijd de overtreder vanaf de bekendmaking van het oorspronkelijke besluit redelijkerwijs nodig heeft om uitvoering aan de last te geven.
In dit geval heeft de varkenshouder opdracht aan DLV gegeven om een onderzoek uit te voeren. Het lijkt erop dat hij daar behoorlijk lang mee heeft gewacht, nu het rapport van dat onderzoek pas eind januari 2014 (dus 10 maanden na bekendmaking van de last onder dwangsom) is gepresenteerd. Dat feit wordt de varkenshouder niet tegengeworpen. De Staatssecretaris besluit op grond van het rapport dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot 1 juli 2014. Hoe hij dat heeft kunnen besluiten is niet helder omdat het CBB tot de conclusie komt dat uit het rapport volgt dat geen van de daarin genoemde alternatieven vóór 1 juli 2014 kan worden gerealiseerd. Het argument van de Staatssecretaris dat - vrij vertaald - de overtreder al jaren wist dat hij per 1 januari 2013 aan artikel 2a lid 1 Varkensbesluit moest gaan voldoen en dat het nu wel mooi genoeg is geweest , is niet sterk.
ECLI:NL:CBB:2014:287
De varkenshouder maakte bezwaar en voerde in bezwaar aan dat de begunstigingstermijn te kort was. Ter onderbouwing legde hij een rapport van DLV over de mogelijkheden om uitvoering te geven aan de last onder dwangsom over. De Staatssecretaris verklaarde het bezwaar bij besluit van 28 april 2014 op dit punt gegrond en verlengde de begunstigingstermijn tot 1 juli 2014.
Tegen dat besluit stelde de varkenshouder beroep in. Hij betoogde dat ook de nieuwe begunstigingstermijn te kort was. De Staatssecretaris bestreed dat en voerde aan dat de varkenshouder sinds 2005 wist dat hij per 1 januari 2013 aan artikel 2a lid 1 Varkensbesluit zou moeten voldoen en dat het steeds weer verlengen van de begunstigingstermijn zou neerkomen op gedogen.
Het CBB oordeelt dat de Staatssecretaris zich voor wat betreft de nieuwe begunstigingstermijn heeft gebaseerd op het rapport van DLV en dat geen van de in het rapport genoemde alternatieven binnen de nieuwe begunstigingstermijn gerealiseerd kon worden. De varkenshouder had voorts het rapport pas medio februari 2014 ontvangen, terwijl in het rapport ervan uitgegaan werd dat begin februari 2014 de financiering rond zou zijn. Het CBB stelde verder vast dat de financiering inmiddels rond was en dat de varkenshouder in mei was begonnen met de bouw van de nieuwe stal, teneinde uitvoering aan de last te kunnen geven en dat de huidige planning reëel was. Op grond van deze overwegingen oordeelde het CBB dat de nieuwe begunstigingstermijn te kort was en vernietigt het de bestreden beslissing.
Als het bestuursorgaan in bezwaar tot de conclusie komt dat een begunstigingstermijn te kort is, dan kan het in de beslissing op bezwaar een nieuwe begunstigingstermijn geven. De constatering dat de oorspronkelijke begunstigingstermijn te kort was, betekent niet dat de last ten onrechte is opgelegd. De overtreder was en blijft derhalve gehouden om uitvoering aan de last te geven, ook als hij vindt - en achteraf komt vast te staan - dat de geboden begunstigingstermijn te kort is.
Dat betekent dat het bestuursorgaan niet vanaf de bekendmaking van de beslissing op bezwaar weer een nieuwe termijn hoeft te laten ingaan. Het volstaat om de oorspronkelijke termijn te verlengen. De vraag die het bestuursorgaan zich daarbij moet stellen is hoeveel tijd de overtreder vanaf de bekendmaking van het oorspronkelijke besluit redelijkerwijs nodig heeft om uitvoering aan de last te geven.
In dit geval heeft de varkenshouder opdracht aan DLV gegeven om een onderzoek uit te voeren. Het lijkt erop dat hij daar behoorlijk lang mee heeft gewacht, nu het rapport van dat onderzoek pas eind januari 2014 (dus 10 maanden na bekendmaking van de last onder dwangsom) is gepresenteerd. Dat feit wordt de varkenshouder niet tegengeworpen. De Staatssecretaris besluit op grond van het rapport dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot 1 juli 2014. Hoe hij dat heeft kunnen besluiten is niet helder omdat het CBB tot de conclusie komt dat uit het rapport volgt dat geen van de daarin genoemde alternatieven vóór 1 juli 2014 kan worden gerealiseerd. Het argument van de Staatssecretaris dat - vrij vertaald - de overtreder al jaren wist dat hij per 1 januari 2013 aan artikel 2a lid 1 Varkensbesluit moest gaan voldoen en dat het nu wel mooi genoeg is geweest , is niet sterk.
ECLI:NL:CBB:2014:287
zondag 16 november 2014
Binnen zonder kloppen
ABRvS, 12 november 2014. Op dezelfde dag doet de Afdeling
uitspraak in twee zaken met betrekking tot het binnentreden in een woning
zonder toestemming van de bewoner, zoals artikel 2, eerste lid van de Algemene
wet op het binnentreden (Awbi) dat, met een schriftelijke machtiging van de
burgemeester, mogelijk maakt. Bepalend bij de toepassing van deze bevoegdheid
is dat het doel, waartoe wordt binnengetreden, het binnentreden zonder
toestemming van de bewoners redelijkerwijs vereist.
De burgemeester van Waalre had op respectievelijk 19 februari
en 19 juni 2013 een machtiging afgegeven
aan twee gemeentelijke toezichthouders om een woonwagen zonder toestemming
binnen te treden. Het doel dat de burgemeester beide keren aan het besluit ten
grondslag had gelegd was het voorkomen van brandonveilige situaties. In de
eerste uitspraak overweegt de Afdeling dat dit een doel is dat het binnentreden
zonder toestemming van de bewoner van de betrokken woning redelijkerwijs
vereist. Dat het huisbezoek deel uitmaakte van een grootschaligere controle (er speelde
meer in Waalre in die periode) maakt dit niet anders, de
machtiging ziet namelijk specifiek op het binnentreden van de individuele woonwagen.
Een beroep op 3:3 Awb (het verbod op détournement de pouvoir: het nemen van een
besluit voor een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is verleend) slaagt
niet. Uit de tweede uitspraak blijkt dat een beroep op artikel 8 EVRM (recht op
eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) eveneens niet mag baten. Op grond
van de beperkingssystematiek bij dat artikel overweegt de Afdeling dat de
bevoegdheid bij wet (Awbi) is voorzien en voldoet aan de eisen van dringende
maatschappelijke noodzaak en evenredigheid.
dinsdag 4 november 2014
Handhaving niet alleen onevenredig bij overtredingen van geringe aard en ernst
ABRvS, 29 oktober 2014. In 2010 werd op dit blog meerdere
keren aandacht besteed aan uitspraken met betrekking tot het afzien van
handhaving in verband met de onevenredigheid ervan in relatie tot de daarmee te
dienen belangen. In een uitspraak van 17
november 2010 overwoog de Afdeling dat er geen sprake was van een
overtreding van geringe aard en ernst en dat reeds daarom handhaving niet
dermate onevenredig kon zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen
dat van handhaving moest worden afgezien. In een uitspraak van 29 december 2010, die hier ook werd besproken, overwoog de Afdeling onder
verwijzing naar een uitspraak van 8 oktober 2008 dat van handhaving mag worden
afgezien bij incidentele overtredingen en overtredingen van geringe aard en
ernst.
Op dit blog werd geconcludeerd dat de Afdeling daarmee
afweek van de eerder geformuleerde lijn in een uitspraak van 20
februari 2008: ook bij overtredingen van niet geringe aard en ernst kan
handhaving dermate onevenredig zijn met de daarmee te dienen belangen dat van
handhaving moet worden afgezien. In een uitspraak van 29 oktober jl. pakt de
Afdeling weer terug naar deze uitspraak. Waar een woning op een kortere afstand
van de erfgrens is gebouwd dan toegestaan overweegt de Afdeling met de
rechtbank dat dit geen overtreding van geringe aard en ernst is. Echter, buiten
die gevallen kan ook in andere omstandigheden handhavend optreden in verhouding
tot de daarmee te dienen belangen zodanig onevenredig zijn dat daarvan in die
concrete situatie behoort te worden afgezien. Handhavend optreden zou in dit
geval inhouden dat de woning rigoureuze maatregelen zou moeten ondergaan (sloop
of verplaatsing). Omdat niet vast staat dat de schade die de buurman door de
bebouwing op kortere afstand lijdt groter is dan wanneer er overeenkomstig de
vergunning werd gebouwd, overweegt de Afdeling dat dergelijke maatregelen
onevenredig zouden zijn.
ECLI:NL:RVS:2014:3885
zondag 26 oktober 2014
Heeft een voorlopige voorziening terugwerkende kracht?
ABRvS 22 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3803)
Verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom. Begunstigingstermijn kan na het verstrijken niet worden verlengd, maar de voorzieningenrechter kan door het met terugwerkende kracht treffen van een voorlopige voorziening bewerkstelligen dat tussen het moment van het verstrijken van de begunstigingstermijn en het moment van zijn uitspraak geen dwangsommen verbeuren. Afdeling komt hiermee gedeeltelijk terug op eerdere uitspraak.
LEES MEER
Verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom. Begunstigingstermijn kan na het verstrijken niet worden verlengd, maar de voorzieningenrechter kan door het met terugwerkende kracht treffen van een voorlopige voorziening bewerkstelligen dat tussen het moment van het verstrijken van de begunstigingstermijn en het moment van zijn uitspraak geen dwangsommen verbeuren. Afdeling komt hiermee gedeeltelijk terug op eerdere uitspraak.
LEES MEER
woensdag 15 oktober 2014
Mondelinge last onder dwangsom bestaat niet
ABRvS, 15 oktober 2014. Toezichthouders van de gemeente Groningen constateerden op 6 augustus 2012 dat een niet-gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf dakplaten met daarin vermoedelijk asbest aan het verwijderen was zonder dat daarvan melding was gedaan aan het college. De toezichthouders hebben ter plekke mondeling gelast om de werkzaamheden te staken en gestaakt te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 20.000,-- ineens. Later op die dag werd geconstateerd dat er toch weer werkzaamheden waren uitgevoerd.
Een dag later, op 7 augustus 2012, heeft het college dit besluit op schrift gesteld en overhandigd aan de overtreder. Ook besloot het college die dag om over te gaan tot invordering van de volgens het college op 6 augustus 2012 verbeurde dwangsom.
In hoger beroep oordeelt de Afdeling dat op 6 augustus 2012 geen dwangsom verbeurd kan zijn omdat de mondelinge last geen besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb is omdat het niet op schrift staat. Op 6 augustus 2012 was derhalve nog geen last onder dwangsom opgelegd en een dwangsom kan niet worden verbeurd voordat de last is opgelegd.
Het college betoogt nog dat hier sprake was van een zeer spoedeisende situatie, zodat het op grond van artikel 5:31 lid 2 Awb bevoegd was om meteen bestuursdwang toe te passen. Nu artikel 5:32 lid 1 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen in plaats daarvan ook mag kiezen voor een last onder dwangsom, vond het college dat het bevoegd was om een mondelinge last onder dwangsom op te leggen. De Afdeling deelt die opvatting niet en oordeelt dat uit artikel 5:32 lid 1 Awb niet volgt dat alle bepalingen over bestuursdwang (waaronder artikel 5:32 lid 2 Awb) ook van toepassing zijn op bestuursdwang.
Het lijkt wellicht een voor de hand liggende uitspraak, maar in eerste aanleg had de rechter het beroep tegen de invorderingsbeschikking ongegrond verklaard en dus miskend dat op 6 augustus 2012 nog geen dwangsom verbeurd kon zijn.
ECLI:NL:RVS:2014:3698
Een dag later, op 7 augustus 2012, heeft het college dit besluit op schrift gesteld en overhandigd aan de overtreder. Ook besloot het college die dag om over te gaan tot invordering van de volgens het college op 6 augustus 2012 verbeurde dwangsom.
In hoger beroep oordeelt de Afdeling dat op 6 augustus 2012 geen dwangsom verbeurd kan zijn omdat de mondelinge last geen besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb is omdat het niet op schrift staat. Op 6 augustus 2012 was derhalve nog geen last onder dwangsom opgelegd en een dwangsom kan niet worden verbeurd voordat de last is opgelegd.
Het college betoogt nog dat hier sprake was van een zeer spoedeisende situatie, zodat het op grond van artikel 5:31 lid 2 Awb bevoegd was om meteen bestuursdwang toe te passen. Nu artikel 5:32 lid 1 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen in plaats daarvan ook mag kiezen voor een last onder dwangsom, vond het college dat het bevoegd was om een mondelinge last onder dwangsom op te leggen. De Afdeling deelt die opvatting niet en oordeelt dat uit artikel 5:32 lid 1 Awb niet volgt dat alle bepalingen over bestuursdwang (waaronder artikel 5:32 lid 2 Awb) ook van toepassing zijn op bestuursdwang.
Het lijkt wellicht een voor de hand liggende uitspraak, maar in eerste aanleg had de rechter het beroep tegen de invorderingsbeschikking ongegrond verklaard en dus miskend dat op 6 augustus 2012 nog geen dwangsom verbeurd kon zijn.
ECLI:NL:RVS:2014:3698
donderdag 9 oktober 2014
Het stuiten van de verjaring door middel van een aanmaning
ABRvS, 8 oktober 2014. Het college van B en W van Leiden vorderde een verbeurde dwangsom van € 30.000,-- in. De overtreder stelde in de procedure tegen de invorderingsbeschikking dat de bevoegdheid tot invordering inmiddels was verjaard. Het college verweerde zich door te stellen dat het de verjaring tijdig had gestuit doordat het een aanmaning had verstuurd. De overtreder betoogde dat de aanmaning niet als een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb kon worden beschouwd omdat een betalingstermijn van acht dagen in plaats van twee weken was gegeven.
Hoe zat het ook al weer?
De bevoegdheid tot invordering verjaart na verloop van een jaar vanaf het moment dat de dwangsom is verbeurd. De verjaring kan worden gestuit of verlengd. Artikel 4:106 Awb bepaalt dat de verjaring kan worden gestuit door middel van een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb. Het eerste lid van artikel 4:112 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de schuldenaar die in verzuim is met de betaling van de verbeurde dwangsom aanmaant tot betaling binnen twee weken. Pas als na verloop van die twee weken niet is betaald, ontstaat de bevoegdheid om een dwangbevel uit te vaardigen (artikel 4:117 lid 1 Awb).
Onder het oude recht gold dat, analoog aan artikel 3:317 lid 1 BW, elke aanmaning of schriftelijke mededeling waarin het bestuursorgaan zich ondubbelzinnig het recht op betaling voorbehield, de verjaring stuitte. De wetgever heeft daarmee bewust gebroken bij de invoering van de vierde tranche. Een aanmaning of een schriftelijke mededeling van de kant van het bestuursorgaan heeft geen stuitende werking. Alleen een aanmaning "als bedoeld in artikel 4:112" kan de verjaring kan stuiten, zo bepaalt artikel 4:106 Awb. Een aanmaning "als bedoeld in artikel 4:112" is de eerste aanmaning. Na de eerste aanmaning mag wel een volgende aanmaning worden gestuurd, maar deze volgende aanmaning heeft dus geen stuitende werking omdat het geen aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb is.
Het betoog van de overtreder roept de vraag of een aanmaning die niet precies voldoet aan de vereisten van artikel 4:112 Awb daarmee niet meer is te beschouwen als een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant had in een eerdere uitspraak al eens uitgemaakt dat het feit dat in een aanmaning de vermelding als bedoeld in artikel 4:112 lid 3 Awb ontbrak, niet betekende dat de aanmaning geen stuitende werking heeft. Artikel 4:112 lid 3 Awb bepaalt dat de aanmaning moet vermelden dat bij niet tijdige betaling de betaling kan worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen.
Zoals gezegd bepaalt artikel 4:112 lid 1 Awb dat het bestuursorgaan aanmaant tot betaling binnen twee weken. De in dit geval verzonden aanmaning voldeed hier niet aan omdat een betalingstermijn van acht dagen was gegeven. De Afdeling oordeelt echter dat dat niet maakt dat de aanmaning niet meer als een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb kan worden beschouwd.
ECLI:NL:RVS:2014:3603
Hoe zat het ook al weer?
De bevoegdheid tot invordering verjaart na verloop van een jaar vanaf het moment dat de dwangsom is verbeurd. De verjaring kan worden gestuit of verlengd. Artikel 4:106 Awb bepaalt dat de verjaring kan worden gestuit door middel van een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb. Het eerste lid van artikel 4:112 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de schuldenaar die in verzuim is met de betaling van de verbeurde dwangsom aanmaant tot betaling binnen twee weken. Pas als na verloop van die twee weken niet is betaald, ontstaat de bevoegdheid om een dwangbevel uit te vaardigen (artikel 4:117 lid 1 Awb).
Onder het oude recht gold dat, analoog aan artikel 3:317 lid 1 BW, elke aanmaning of schriftelijke mededeling waarin het bestuursorgaan zich ondubbelzinnig het recht op betaling voorbehield, de verjaring stuitte. De wetgever heeft daarmee bewust gebroken bij de invoering van de vierde tranche. Een aanmaning of een schriftelijke mededeling van de kant van het bestuursorgaan heeft geen stuitende werking. Alleen een aanmaning "als bedoeld in artikel 4:112" kan de verjaring kan stuiten, zo bepaalt artikel 4:106 Awb. Een aanmaning "als bedoeld in artikel 4:112" is de eerste aanmaning. Na de eerste aanmaning mag wel een volgende aanmaning worden gestuurd, maar deze volgende aanmaning heeft dus geen stuitende werking omdat het geen aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb is.
Het betoog van de overtreder roept de vraag of een aanmaning die niet precies voldoet aan de vereisten van artikel 4:112 Awb daarmee niet meer is te beschouwen als een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant had in een eerdere uitspraak al eens uitgemaakt dat het feit dat in een aanmaning de vermelding als bedoeld in artikel 4:112 lid 3 Awb ontbrak, niet betekende dat de aanmaning geen stuitende werking heeft. Artikel 4:112 lid 3 Awb bepaalt dat de aanmaning moet vermelden dat bij niet tijdige betaling de betaling kan worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen.
Zoals gezegd bepaalt artikel 4:112 lid 1 Awb dat het bestuursorgaan aanmaant tot betaling binnen twee weken. De in dit geval verzonden aanmaning voldeed hier niet aan omdat een betalingstermijn van acht dagen was gegeven. De Afdeling oordeelt echter dat dat niet maakt dat de aanmaning niet meer als een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb kan worden beschouwd.
ECLI:NL:RVS:2014:3603
Abonneren op:
Posts (Atom)