CBB, 30 januari 2015. De Staatssecretaris van Economische Zaken legde bij besluit van 13 maart 2013 een last onder dwangsom op aan een varkenshouder om de overtreding van artikel 2a lid 1 Varkensbesluit (per 1 juli 2014 vervangen door het Besluit houders van dieren) binnen drie maanden te beëindigen. Dat artikel bepaalt dat o.a. gebruiksvarkens en gespeende varkens in afzonderlijke groepen moeten worden gehouden.
De varkenshouder maakte bezwaar en voerde in bezwaar aan dat de begunstigingstermijn te kort was. Ter onderbouwing legde hij een rapport van DLV over de mogelijkheden om uitvoering te geven aan de last onder dwangsom over. De Staatssecretaris verklaarde het bezwaar bij besluit van 28 april 2014 op dit punt gegrond en verlengde de begunstigingstermijn tot 1 juli 2014.
Tegen dat besluit stelde de varkenshouder beroep in. Hij betoogde dat ook de nieuwe begunstigingstermijn te kort was. De Staatssecretaris bestreed dat en voerde aan dat de varkenshouder sinds 2005 wist dat hij per 1 januari 2013 aan artikel 2a lid 1 Varkensbesluit zou moeten voldoen en dat het steeds weer verlengen van de begunstigingstermijn zou neerkomen op gedogen.
Het CBB oordeelt dat de Staatssecretaris zich voor wat betreft de nieuwe begunstigingstermijn heeft gebaseerd op het rapport van DLV en dat geen van de in het rapport genoemde alternatieven binnen de nieuwe begunstigingstermijn gerealiseerd kon worden. De varkenshouder had voorts het rapport pas medio februari 2014 ontvangen, terwijl in het rapport ervan uitgegaan werd dat begin februari 2014 de financiering rond zou zijn. Het CBB stelde verder vast dat de financiering inmiddels rond was en dat de varkenshouder in mei was begonnen met de bouw van de nieuwe stal, teneinde uitvoering aan de last te kunnen geven en dat de huidige planning reëel was. Op grond van deze overwegingen oordeelde het CBB dat de nieuwe begunstigingstermijn te kort was en vernietigt het de bestreden beslissing.
Als het bestuursorgaan in bezwaar tot de conclusie komt dat een begunstigingstermijn te kort is, dan kan het in de beslissing op bezwaar een nieuwe begunstigingstermijn geven. De constatering dat de oorspronkelijke begunstigingstermijn te kort was, betekent niet dat de last ten onrechte is opgelegd. De overtreder was en blijft derhalve gehouden om uitvoering aan de last te geven, ook als hij vindt - en achteraf komt vast te staan - dat de geboden begunstigingstermijn te kort is.
Dat betekent dat het bestuursorgaan niet vanaf de bekendmaking van de beslissing op bezwaar weer een nieuwe termijn hoeft te laten ingaan. Het volstaat om de oorspronkelijke termijn te verlengen. De vraag die het bestuursorgaan zich daarbij moet stellen is hoeveel tijd de overtreder vanaf de bekendmaking van het oorspronkelijke besluit redelijkerwijs nodig heeft om uitvoering aan de last te geven.
In dit geval heeft de varkenshouder opdracht aan DLV gegeven om een onderzoek uit te voeren. Het lijkt erop dat hij daar behoorlijk lang mee heeft gewacht, nu het rapport van dat onderzoek pas eind januari 2014 (dus 10 maanden na bekendmaking van de last onder dwangsom) is gepresenteerd. Dat feit wordt de varkenshouder niet tegengeworpen. De Staatssecretaris besluit op grond van het rapport dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot 1 juli 2014. Hoe hij dat heeft kunnen besluiten is niet helder omdat het CBB tot de conclusie komt dat uit het rapport volgt dat geen van de daarin genoemde alternatieven vóór 1 juli 2014 kan worden gerealiseerd. Het argument van de Staatssecretaris dat - vrij vertaald - de overtreder al jaren wist dat hij per 1 januari 2013 aan artikel 2a lid 1 Varkensbesluit moest gaan voldoen en dat het nu wel mooi genoeg is geweest , is niet sterk.
ECLI:NL:CBB:2014:287
Dit is een blog van Jaap IJdema van Adriaanse van der Weel Advocaten over uitspraken op het gebied van herstelsanctiebesluiten.
dinsdag 17 februari 2015
zondag 16 november 2014
Binnen zonder kloppen
ABRvS, 12 november 2014. Op dezelfde dag doet de Afdeling
uitspraak in twee zaken met betrekking tot het binnentreden in een woning
zonder toestemming van de bewoner, zoals artikel 2, eerste lid van de Algemene
wet op het binnentreden (Awbi) dat, met een schriftelijke machtiging van de
burgemeester, mogelijk maakt. Bepalend bij de toepassing van deze bevoegdheid
is dat het doel, waartoe wordt binnengetreden, het binnentreden zonder
toestemming van de bewoners redelijkerwijs vereist.
De burgemeester van Waalre had op respectievelijk 19 februari
en 19 juni 2013 een machtiging afgegeven
aan twee gemeentelijke toezichthouders om een woonwagen zonder toestemming
binnen te treden. Het doel dat de burgemeester beide keren aan het besluit ten
grondslag had gelegd was het voorkomen van brandonveilige situaties. In de
eerste uitspraak overweegt de Afdeling dat dit een doel is dat het binnentreden
zonder toestemming van de bewoner van de betrokken woning redelijkerwijs
vereist. Dat het huisbezoek deel uitmaakte van een grootschaligere controle (er speelde
meer in Waalre in die periode) maakt dit niet anders, de
machtiging ziet namelijk specifiek op het binnentreden van de individuele woonwagen.
Een beroep op 3:3 Awb (het verbod op détournement de pouvoir: het nemen van een
besluit voor een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is verleend) slaagt
niet. Uit de tweede uitspraak blijkt dat een beroep op artikel 8 EVRM (recht op
eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) eveneens niet mag baten. Op grond
van de beperkingssystematiek bij dat artikel overweegt de Afdeling dat de
bevoegdheid bij wet (Awbi) is voorzien en voldoet aan de eisen van dringende
maatschappelijke noodzaak en evenredigheid.
dinsdag 4 november 2014
Handhaving niet alleen onevenredig bij overtredingen van geringe aard en ernst
ABRvS, 29 oktober 2014. In 2010 werd op dit blog meerdere
keren aandacht besteed aan uitspraken met betrekking tot het afzien van
handhaving in verband met de onevenredigheid ervan in relatie tot de daarmee te
dienen belangen. In een uitspraak van 17
november 2010 overwoog de Afdeling dat er geen sprake was van een
overtreding van geringe aard en ernst en dat reeds daarom handhaving niet
dermate onevenredig kon zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen
dat van handhaving moest worden afgezien. In een uitspraak van 29 december 2010, die hier ook werd besproken, overwoog de Afdeling onder
verwijzing naar een uitspraak van 8 oktober 2008 dat van handhaving mag worden
afgezien bij incidentele overtredingen en overtredingen van geringe aard en
ernst.
Op dit blog werd geconcludeerd dat de Afdeling daarmee
afweek van de eerder geformuleerde lijn in een uitspraak van 20
februari 2008: ook bij overtredingen van niet geringe aard en ernst kan
handhaving dermate onevenredig zijn met de daarmee te dienen belangen dat van
handhaving moet worden afgezien. In een uitspraak van 29 oktober jl. pakt de
Afdeling weer terug naar deze uitspraak. Waar een woning op een kortere afstand
van de erfgrens is gebouwd dan toegestaan overweegt de Afdeling met de
rechtbank dat dit geen overtreding van geringe aard en ernst is. Echter, buiten
die gevallen kan ook in andere omstandigheden handhavend optreden in verhouding
tot de daarmee te dienen belangen zodanig onevenredig zijn dat daarvan in die
concrete situatie behoort te worden afgezien. Handhavend optreden zou in dit
geval inhouden dat de woning rigoureuze maatregelen zou moeten ondergaan (sloop
of verplaatsing). Omdat niet vast staat dat de schade die de buurman door de
bebouwing op kortere afstand lijdt groter is dan wanneer er overeenkomstig de
vergunning werd gebouwd, overweegt de Afdeling dat dergelijke maatregelen
onevenredig zouden zijn.
ECLI:NL:RVS:2014:3885
zondag 26 oktober 2014
Heeft een voorlopige voorziening terugwerkende kracht?
ABRvS 22 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3803)
Verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom. Begunstigingstermijn kan na het verstrijken niet worden verlengd, maar de voorzieningenrechter kan door het met terugwerkende kracht treffen van een voorlopige voorziening bewerkstelligen dat tussen het moment van het verstrijken van de begunstigingstermijn en het moment van zijn uitspraak geen dwangsommen verbeuren. Afdeling komt hiermee gedeeltelijk terug op eerdere uitspraak.
LEES MEER
Verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom. Begunstigingstermijn kan na het verstrijken niet worden verlengd, maar de voorzieningenrechter kan door het met terugwerkende kracht treffen van een voorlopige voorziening bewerkstelligen dat tussen het moment van het verstrijken van de begunstigingstermijn en het moment van zijn uitspraak geen dwangsommen verbeuren. Afdeling komt hiermee gedeeltelijk terug op eerdere uitspraak.
LEES MEER
woensdag 15 oktober 2014
Mondelinge last onder dwangsom bestaat niet
ABRvS, 15 oktober 2014. Toezichthouders van de gemeente Groningen constateerden op 6 augustus 2012 dat een niet-gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf dakplaten met daarin vermoedelijk asbest aan het verwijderen was zonder dat daarvan melding was gedaan aan het college. De toezichthouders hebben ter plekke mondeling gelast om de werkzaamheden te staken en gestaakt te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 20.000,-- ineens. Later op die dag werd geconstateerd dat er toch weer werkzaamheden waren uitgevoerd.
Een dag later, op 7 augustus 2012, heeft het college dit besluit op schrift gesteld en overhandigd aan de overtreder. Ook besloot het college die dag om over te gaan tot invordering van de volgens het college op 6 augustus 2012 verbeurde dwangsom.
In hoger beroep oordeelt de Afdeling dat op 6 augustus 2012 geen dwangsom verbeurd kan zijn omdat de mondelinge last geen besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb is omdat het niet op schrift staat. Op 6 augustus 2012 was derhalve nog geen last onder dwangsom opgelegd en een dwangsom kan niet worden verbeurd voordat de last is opgelegd.
Het college betoogt nog dat hier sprake was van een zeer spoedeisende situatie, zodat het op grond van artikel 5:31 lid 2 Awb bevoegd was om meteen bestuursdwang toe te passen. Nu artikel 5:32 lid 1 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen in plaats daarvan ook mag kiezen voor een last onder dwangsom, vond het college dat het bevoegd was om een mondelinge last onder dwangsom op te leggen. De Afdeling deelt die opvatting niet en oordeelt dat uit artikel 5:32 lid 1 Awb niet volgt dat alle bepalingen over bestuursdwang (waaronder artikel 5:32 lid 2 Awb) ook van toepassing zijn op bestuursdwang.
Het lijkt wellicht een voor de hand liggende uitspraak, maar in eerste aanleg had de rechter het beroep tegen de invorderingsbeschikking ongegrond verklaard en dus miskend dat op 6 augustus 2012 nog geen dwangsom verbeurd kon zijn.
ECLI:NL:RVS:2014:3698
Een dag later, op 7 augustus 2012, heeft het college dit besluit op schrift gesteld en overhandigd aan de overtreder. Ook besloot het college die dag om over te gaan tot invordering van de volgens het college op 6 augustus 2012 verbeurde dwangsom.
In hoger beroep oordeelt de Afdeling dat op 6 augustus 2012 geen dwangsom verbeurd kan zijn omdat de mondelinge last geen besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb is omdat het niet op schrift staat. Op 6 augustus 2012 was derhalve nog geen last onder dwangsom opgelegd en een dwangsom kan niet worden verbeurd voordat de last is opgelegd.
Het college betoogt nog dat hier sprake was van een zeer spoedeisende situatie, zodat het op grond van artikel 5:31 lid 2 Awb bevoegd was om meteen bestuursdwang toe te passen. Nu artikel 5:32 lid 1 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen in plaats daarvan ook mag kiezen voor een last onder dwangsom, vond het college dat het bevoegd was om een mondelinge last onder dwangsom op te leggen. De Afdeling deelt die opvatting niet en oordeelt dat uit artikel 5:32 lid 1 Awb niet volgt dat alle bepalingen over bestuursdwang (waaronder artikel 5:32 lid 2 Awb) ook van toepassing zijn op bestuursdwang.
Het lijkt wellicht een voor de hand liggende uitspraak, maar in eerste aanleg had de rechter het beroep tegen de invorderingsbeschikking ongegrond verklaard en dus miskend dat op 6 augustus 2012 nog geen dwangsom verbeurd kon zijn.
ECLI:NL:RVS:2014:3698
donderdag 9 oktober 2014
Het stuiten van de verjaring door middel van een aanmaning
ABRvS, 8 oktober 2014. Het college van B en W van Leiden vorderde een verbeurde dwangsom van € 30.000,-- in. De overtreder stelde in de procedure tegen de invorderingsbeschikking dat de bevoegdheid tot invordering inmiddels was verjaard. Het college verweerde zich door te stellen dat het de verjaring tijdig had gestuit doordat het een aanmaning had verstuurd. De overtreder betoogde dat de aanmaning niet als een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb kon worden beschouwd omdat een betalingstermijn van acht dagen in plaats van twee weken was gegeven.
Hoe zat het ook al weer?
De bevoegdheid tot invordering verjaart na verloop van een jaar vanaf het moment dat de dwangsom is verbeurd. De verjaring kan worden gestuit of verlengd. Artikel 4:106 Awb bepaalt dat de verjaring kan worden gestuit door middel van een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb. Het eerste lid van artikel 4:112 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de schuldenaar die in verzuim is met de betaling van de verbeurde dwangsom aanmaant tot betaling binnen twee weken. Pas als na verloop van die twee weken niet is betaald, ontstaat de bevoegdheid om een dwangbevel uit te vaardigen (artikel 4:117 lid 1 Awb).
Onder het oude recht gold dat, analoog aan artikel 3:317 lid 1 BW, elke aanmaning of schriftelijke mededeling waarin het bestuursorgaan zich ondubbelzinnig het recht op betaling voorbehield, de verjaring stuitte. De wetgever heeft daarmee bewust gebroken bij de invoering van de vierde tranche. Een aanmaning of een schriftelijke mededeling van de kant van het bestuursorgaan heeft geen stuitende werking. Alleen een aanmaning "als bedoeld in artikel 4:112" kan de verjaring kan stuiten, zo bepaalt artikel 4:106 Awb. Een aanmaning "als bedoeld in artikel 4:112" is de eerste aanmaning. Na de eerste aanmaning mag wel een volgende aanmaning worden gestuurd, maar deze volgende aanmaning heeft dus geen stuitende werking omdat het geen aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb is.
Het betoog van de overtreder roept de vraag of een aanmaning die niet precies voldoet aan de vereisten van artikel 4:112 Awb daarmee niet meer is te beschouwen als een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant had in een eerdere uitspraak al eens uitgemaakt dat het feit dat in een aanmaning de vermelding als bedoeld in artikel 4:112 lid 3 Awb ontbrak, niet betekende dat de aanmaning geen stuitende werking heeft. Artikel 4:112 lid 3 Awb bepaalt dat de aanmaning moet vermelden dat bij niet tijdige betaling de betaling kan worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen.
Zoals gezegd bepaalt artikel 4:112 lid 1 Awb dat het bestuursorgaan aanmaant tot betaling binnen twee weken. De in dit geval verzonden aanmaning voldeed hier niet aan omdat een betalingstermijn van acht dagen was gegeven. De Afdeling oordeelt echter dat dat niet maakt dat de aanmaning niet meer als een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb kan worden beschouwd.
ECLI:NL:RVS:2014:3603
Hoe zat het ook al weer?
De bevoegdheid tot invordering verjaart na verloop van een jaar vanaf het moment dat de dwangsom is verbeurd. De verjaring kan worden gestuit of verlengd. Artikel 4:106 Awb bepaalt dat de verjaring kan worden gestuit door middel van een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb. Het eerste lid van artikel 4:112 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de schuldenaar die in verzuim is met de betaling van de verbeurde dwangsom aanmaant tot betaling binnen twee weken. Pas als na verloop van die twee weken niet is betaald, ontstaat de bevoegdheid om een dwangbevel uit te vaardigen (artikel 4:117 lid 1 Awb).
Onder het oude recht gold dat, analoog aan artikel 3:317 lid 1 BW, elke aanmaning of schriftelijke mededeling waarin het bestuursorgaan zich ondubbelzinnig het recht op betaling voorbehield, de verjaring stuitte. De wetgever heeft daarmee bewust gebroken bij de invoering van de vierde tranche. Een aanmaning of een schriftelijke mededeling van de kant van het bestuursorgaan heeft geen stuitende werking. Alleen een aanmaning "als bedoeld in artikel 4:112" kan de verjaring kan stuiten, zo bepaalt artikel 4:106 Awb. Een aanmaning "als bedoeld in artikel 4:112" is de eerste aanmaning. Na de eerste aanmaning mag wel een volgende aanmaning worden gestuurd, maar deze volgende aanmaning heeft dus geen stuitende werking omdat het geen aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb is.
Het betoog van de overtreder roept de vraag of een aanmaning die niet precies voldoet aan de vereisten van artikel 4:112 Awb daarmee niet meer is te beschouwen als een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant had in een eerdere uitspraak al eens uitgemaakt dat het feit dat in een aanmaning de vermelding als bedoeld in artikel 4:112 lid 3 Awb ontbrak, niet betekende dat de aanmaning geen stuitende werking heeft. Artikel 4:112 lid 3 Awb bepaalt dat de aanmaning moet vermelden dat bij niet tijdige betaling de betaling kan worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen.
Zoals gezegd bepaalt artikel 4:112 lid 1 Awb dat het bestuursorgaan aanmaant tot betaling binnen twee weken. De in dit geval verzonden aanmaning voldeed hier niet aan omdat een betalingstermijn van acht dagen was gegeven. De Afdeling oordeelt echter dat dat niet maakt dat de aanmaning niet meer als een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb kan worden beschouwd.
ECLI:NL:RVS:2014:3603
dinsdag 16 september 2014
Dwangsom per tijdseenheid of per overtreding?
ABRvS, 27 augustus 2014. Het college van GS van Noord-Holland had een tweetal lasten onder dwangsom
opgelegd aan een bedrijf vanwege de overtreding van voorschriften van de
omgevingsvergunning (milieuvergunning). De dwangsom was daarbij bepaald op een
bedrag per week per geconstateerde overtreding met een maximumbedrag.
Het college constateerde dat de last niet was uitgevoerd en
ging over tot de invordering van de verbeurde dwangsommen. In de procedure
tegen de invorderingsbeschikking rees vervolgens de vraag hoe de formulering
van de dwangsom moest worden uitgelegd.
Op grond van artikel 5:32b, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (hierna: de Awb) stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij
op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet
is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. De overtreder betoogt dat
aan de lasten een dwangsom per tijdseenheid - een week - is verbonden en niet
een dwangsom per overtreding van de last. Een dwangsom is volgens de overtreder
daarom pas verbeurd wanneer een overtreding een week heeft voortgeduurd.
In de dwangsombesluiten is bepaald dat, indien wordt
geconstateerd dat niet aan de opgelegde last wordt voldaan, een dwangsom
verschuldigd is van een bepaald bedrag per week per geconstateerde overtreding.
De Afdeling overweegt dat het college hiermee de te verbeuren dwangsommen niet
heeft vastgesteld op een bedrag per week dat de overtreding voortduurt. De
formulering duidt volgens de Afdeling op een bedrag per overtreding, waarbij
geldt dat hooguit één keer per week een dwangsom wordt verbeurd.
In een eerdere zaak overwoog de Afdeling anders. Aan een
last was in dat geval een dwangsom verbonden van € 5.000,-- per constatering,
met een submaximum van € 5.000,-- per week, met een maximum van € 25.000,00 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ1261).
De Afdeling stelde deze dwangsom juist gelijk met een bedrag per tijdseenheid
(week) waarin de last niet is uitgevoerd, omdat de hoogte van de dwangsom per
constatering gelijk is aan het submaximum per week.
Het is onduidelijk waarom de Afdeling nu een andere mening lijkt
toegedaan.
Abonneren op:
Posts (Atom)