Met de inwerkingtreding van de vierde tranche is deze regeling ingrijpend gewijzigd. De bevoegdheid tot invordering van verbeurde dwangsommen verjaart nu na verloop van een jaar nadat de dwangsom is verbeurd (artikel 5:35 Awb). Afdeling 4.4.3 Awb is van toepassing op de verjaring. Op grond van artikel 4:105 en 4:106 Awb kan het bestuursorgaan de verjaring stuiten door:
- een daad van rechtsvervolging;
- het versturen van een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb;
- een beschikking tot verrekening;
- een dwangbevel of;
- een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel.
De verjaring wordt ook gestuit door een erkenning door de schuldenaar. Een belangrijk verschil is dat de verjaring niet wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of mededeling waaruit blijkt dat de schuldeiser zich het recht op betaling uitdrukkelijk voorbehoudt. De verjaring wordt wel gestuit door een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb, maar dat is de eerste aanmaning. Iedere volgende aanmaning is geen aanmaning in de zin van artikel 4:112 Awb.
Dat betekent dat de mogelijkheden voor een bestuursorgaan om de verjaring te stuiten aanzienlijk zijn ingeperkt.
In de zaak die leidde tot de uitspraak van de Rechtbank Gelderland richtte het beroep zich tegen een invorderingsbeschikking. De rechtbank oordeelde dat de bevoegdheid tot invordering was verjaard, zodat de schuldenaar geen procesbelang meer had bij zijn beroep. Het bestuursorgaan betoogde dat de bevoegdheid niet was verjaard omdat de verjaring gestuit was door de verzending van de invorderingsbeschikking. De rechtbank overweegt dat het nemen en versturen van een invorderingsbeschikking geen daad van rechtsvervolging is en evenmin kan worden aangemerkt als een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb.
ECLI:NL:RBGEL:2013:1567