Posts tonen met het label spoedeisend belang. Alle posts tonen
Posts tonen met het label spoedeisend belang. Alle posts tonen

maandag 30 maart 2015

Spoedeisend belang bij schorsing last onder dwangsom


CBB, 9 februari 2015. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft op 18 november 2014 varkensstallen gecontroleerd. Daarbij werd geconstateerd dat de gezondheid en het welzijn van de dieren is benadeeld en aan de dieren de nodige verzorging is onthouden. Er werd vervolgens op 21 november 2014 een last onder dwangsom opgelegd wegens overtredingen van de Wet dieren en het besluit houders van dieren. Die last hield in dat één verzorgings- en huisvestingsmaatregel direct en zes maatregelen vóór 26 november 2015 genomen moeten worden. De dwangsom werd bepaald op € 10.000,-- per controle per overtreding, tot een maximum van € 210.000,--.

Tegen dit besluit maakte de varkenshouder bezwaar. Hij diende bij de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBB) ook een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in. De voorzieningenrechter overweegt het volgende over de vraag of de
verzoeker een spoedeisend belang heeft:

"De voorzieningenrechter stelt voorop dat het risico van verbeurte van dwangsommen voor verzoekers een financieel belang vertegenwoordigt. Een zodanig belang zal in de regel op zichzelf onvoldoende reden vormen een voorlopige voorziening te treffen. Het staat verzoekers immers vrij financiële compensatie van het bestuursorgaan te vorderen indien de dwangsombesluiten achteraf onrechtmatig zouden blijken te zijn. Het treffen van een voorlopige voorziening zal echter niettemin in beeld kunnen komen in het geval de financiële gevolgen, gelet op bijvoorbeeld de activiteiten en/of de vermogenspositie van de verzoeker, ernstiger zijn, en bovendien eerder naarmate die ernst toeneemt."
De voorzieningenrechter overweegt dat in dit geval op het eerste gezicht niet blijkt van zeer ernstige financiële gevolgen, maar dat ook niet duidelijk is dat de financiële gevolgen zodanig gering zijn dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Om die reden geeft hij toch een inhoudelijke beoordeling. 
 
In een andere uitspraak van een week later (ECLI:NL:CBB:2015:38) lijkt er nog een andere uitzondering te worden aangenomen op de regel dat een overtreder in beginsel geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening tegen een last onder dwangsom. In die zaak was de last onder dwangsom opgelegd om alsnog een transponder (een identificatiechip) in te brengen in de hals van een paard. De overtreder voerde aan dat hij gewetensbezwaren had tegen het inbrengen van een chip in de hals van een paard. De voorzieningenrechter overweegt dat afwijzing van het verzoek betekent dat aan de last moet worden voldaan en dat de gevolgen daarvan onomkeerbaar zijn. Om die reden wordt toch een spoedeisend belang aangenomen.
De lijn van de voorzieningenrechter van het CBB kan op grond van deze twee uitspraken als volgt worden samengevat:
  • het belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is in beginsel een financieel belang;
  • een financieel belang is onvoldoende reden om een voorlopige voorziening te treffen, tenzij de financiële gevolgen van het voldoen aan een last onder dwangsom zodanig ernstig zijn dat een spoedeisend belang moet worden aangenomen;
  • als afwijzing van het verzoek leidt tot onomkeerbare gevolgen, kan ook een spoedeisend belang worden aangenomen.

Hoe oordeelt de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in dergelijke gevallen?

In een uitspraak van 30 september 2010 (
ECLI:NL:RVS:2010:BN9531) overweegt de voorzitter de overtreder, gelet op de aanzienlijke financiële consequenties van de last, een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Dat is echter één van de spaarzame uitspraken waarin de voorzieningenrechter zich op die manier uitlaat over de vraag of sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft zich nog nooit zo duidelijk uitgelaten als de voorzieningenrechter van het CBB heeft gedaan in zijn uitspraak van 9 februari 2015 en de ervaring is dat de voorzieningenrechter van de Afdeling in het algemeen aanmerkelijk minder kritisch is op het spoedeisend belang. ECLI:NL:CBB:2015:39

dinsdag 18 juni 2013

Geen spoedeisend belang bij treffen voorlopige voorziening

Vz. ABRvS, 6 juni 2013. Het college van B en W van Eindhoven had aan H.P.M. Onroerend Goed de last onder dwangsom opgelegd om het gebruik van een terrein aan de Luchthavenweg in Eindhoven als parkeerterrein te beëindigen en beëindigd te houden. Het college verklaarde het bezwaar grotendeels ongegrond. De voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep ongegrond. Tegen die uitspraak stelde H.P.M. Onroerend Goed hoger beroep in en diende zij een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in bij de Voorzitter van de Afdeling in een poging te voorkomen dat zij de last hangende het hoger beroep zou moeten uitvoeren.

De Voorzitter oordeelt dat H.P.M. Onroerend Goed geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, al verstrijkt de begunstigingstermijn en dient H.P.M. Onroerend Goed de last uit te voeren wil zij geen dwangsom verbeuren. De Voorzitter overweegt dat H.P.M. Onroerend Goed niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij onevenredig en onherstelbaar nadeel lijdt als zij de last moet uitvoeren. Daarbij neemt de Voorzitter in aanmerking dat H.P.M. Onroerend Goed niet heeft betwist dat zij de schade die zij lijdt als gevolg van het uitvoeren van de last kan verhalen op de gemeente indien zij in rechte uiteindelijk gelijk krijgt en dat H.P.M. Onroerend Goed niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door het uitvoeren van de last in een financiële noodsituatie komt te verkeren.

Deze uitspraak is opmerkelijk, omdat ik de Voorzitter van de Afdeling zich nog niet eerder zo kritisch heb horen uitlaten over het spoedeisend belang van degene die een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen een last onder dwangsom indient. Tot nu toe leek de dreiging van het verbeuren van dwangsommen voldoende om een spoedeisend belang aan te nemen. Sterker nog, in zijn uitspraak van 22 juni 2012 schorste de Voorzitter een last onder dwangsom omdat de Voorzitter niet inzag welk spoedeisend belang gediend was met het uitvoeren van de last hangende de bodemprocedure.

Hoeveel waarde moeten we aan deze uitspraak hechten? Eén zwaluw maakt nog geen zomer, maar het is wel interessant om te zien hoe de Voorzitter zich in volgende uitspraken gaat opstellen ten aanzien van het spoedeisend belang.
LJN: CA2841