Posts tonen met het label verhaal kosten bestuursdwang. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verhaal kosten bestuursdwang. Alle posts tonen

vrijdag 2 november 2012

Onrechtmatig binnentreden = geen kostenverhaal

ABRvS, 31 oktober 2012. Tijdens een inspectie van het Bestuurlijk Interventie Team Eindhoven werd in een schuur bij een woning een hennepkwekerij geconstateerd. Omdat er niemand in de woning aanwezig was maakte de politie gebruik van een vooraf verleende machtiging tot binnentreden als bedoeld in de Algemene wet op het binnentreden (Awbi). Deze machtiging was verleend aan agent X, maar niet ondertekend. Onduidelijk was of agent X de woning is binnengetreden. Wel stond vast dat de toezichthouder van de gemeente, die door het college was aangewezen in de zin van artikel 5:27 lid 1 Awb, op verzoek van een andere agent de woning is binnengetreden. Deze toezichthouder beschikte niet over een machtiging.

Eenmaal in de woning werd electrocutie- en brandgevaar geconstateerd. Daarop is onmiddellijk bestuursdwang toegepast op de voet van artikel 5:31 lid 2 Awb voor rekening van de overtreder.

De Afdeling oordeelt dat de machtiging gebreken vertoont, zodat de binnentreding onrechtmatig was. De Afdeling overweegt dat er wel voldoende reden was om onmiddellijk tot het toepassen van bestuursdwang over te gaan. Die overweging lijkt voor de Afdeling ook aanleiding om te oordelen dat de gebreken die aan de machtiging kleefden niet van dien aard waren dat gebruik van de bij die binnentreding verkregen informatie zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid moet worden gevergd, dat het college zijn besluit niet op die informatie mocht baseren.

Toch heeft de onrechtmatige binnentreding wel consequenties. De Afdeling oordeelt namelijk dat het feit dat de woning is binnengetreden zonder geldige machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Awbi en het huisrecht in het geding is, ertoe leidt dat een uitzondering moet worden gemaakt op de hoofdregel dat bestuursdwang wordt toegepast voor rekening van de overtreder. De Afdeling vernietigt op grond hiervan het besluit voor zover daarbij was bepaald dat de kosten van bestuursdwang op de overtreder zouden worden verhaald. 

Wat mij opvalt is dat de Afdeling niet ingaat op de vraag of in dit geval wellicht sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 2 lid 3 Awbi. Dat artikel bepaalt dat een machtiging niet vereist is als ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen terstond in de woning moet worden binnengetreden. De Afdeling overweegt wel dat onmiddellijk optreden gerechtvaardigd was omdat er electrocutie- en brandgevaar was, maar komt niet toe aan de vraag of daardoor sprake was van een uitzondering als bedoeld in artikel 2 lid 3 Awbi.
ECLI:NL:RVS:2012:BY1691

zaterdag 30 juni 2012

Uitspraak rechtbank Breda inzake Chemie-Pack

Rechtbank Breda, 21 juni 2012. De rechtbank Breda heeft uitspraak gedaan op het beroep dat namens de curator van Chemie Pack Nederland B.V. en Chemie Pack Onroerend Goed B.V. was ingesteld tegen het besluit van het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta om zeer spoedeisende bestuursdwang toe te passen.


Eerder had de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda zich uitgelaten over het verzoek voorlopige voorziening dat door Chemie Pack Nederland B.V. was ingediend. Deze uitspraak heb ik ook op mijn blog besproken. Dit verzoek werd door de voorzieningenrechter afgewezen. De voorzieningenrechter vond dat het dagelijks bestuur wel degelijk bevoegd was om handhavend op te treden, dat Chemie Pack Nederland B.V. terecht als overtreder was aangemerkt en dat er geen redenen waren waarom de kosten van bestuursdwang niet (volledig) op Chemie Pack Nederland B.V. verhaald zouden kunnen worden.


Tegen het besluit tot toepassing van bestuursdwang was niet alleen beroep ingesteld door Chemie Pack Nederland B.V., maar ook door Chemie Pack Onroerend Goed B.V. Chemie Pack Nederland B.V. is hangende het beroep failliet verklaard, waarna de curator de beroepprocedure heeft overgenomen.


Het beroep van de curator van Chemie Pack Nederland B.V.
De curator had zich in beroep beperkt tot de grief dat Chemie Pack Nederland ten onrechte als overtreder was aangemerkt. Daarbij had hij verwezen naar hetgeen daarover namens Chemie Pack Onroerend Goed was aangevoerd.


Laatstgenoemde had aangevoerd dat zij niet aangemerkt kon worden als overtreder omdat de overtreding is veroorzaakt door de bluswerkzaamheden door de brandweer en zij geen opdracht had verleend tot het verrichten van deze bluswerkzaamheden. Zo zij wel als overtreder zou kunnen worden aangemerkt, dan zou het niet redelijk zijn om de kosten van bestuursdwang (volledig) ten laste van haar te brengen omdat er meerdere overtreders zouden zijn, waaronder de brandweer.


De rechtbank oordeelt, evenals de voorzieningenrechter had gedaan, dat Chemie Pack Nederland wel degelijk als overtreder kon worden aangemerkt. Daarbij verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling die ook door de voorzieningenrechter waren aangehaald en waarin de Afdeling in soortgelijke gevallen overwoog dat de werkzaamheden van de brandweer geacht moesten worden plaats te hebben gehad in opdracht van de drijver van de inrichting. De rechtbank betrekt daarbij dat de bluswerkzaamheden direct verband hielden met de brand die plaatshad op het perceel van de inrichting van Chemie Pack Nederland en dat het blussen van de brand tevens als doel diende om de rest van de bedrijfsgebouwen op dat perceel te redden.


Verder oordeelt de rechtbank dat slechts in uitzonderlijke gevallen van het bestuursorgaan gevergd kan worden dat het afziet van kostenverhaal. Daarbij is niet zozeer relevant of er meerdere overtreders zijn aan te wijzen, maar veeleer of de aangeschreven overtreder in het geheel geen verwijt valt te maken ten aanzien van de overtreding. Daarvan is in dit geval, zo oordeelt de rechtbank, geen sprake.


Chemie Pack Nederland had geen afzonderlijke gronden ingediend tegen de kostenbeschikking. De rechtbank oordeelt daarop dat de kostenbeschikking jegens Chemie Pack Nederland daarom voor rechtmatig moet worden gehouden.


Het beroep van Chemie Pack Onroerend Goed B.V.
Het beroep van Chemie Pack Onroerend Goed richtte zich niet alleen tegen de beschikking tot toepassing van bestuursdwang, maar ook tegen de drie kostenbeschikkingen die nadien waren genomen. De gronden luidden:
  1. het dagelijks bestuur was niet bevoegd om bestuursdwang toe te passen;
  2. het dagelijks bestuur was niet bevoegd om bestuursdwang op de voet van artikel 5:31 lid 2 Awb toe te passen;
  3. Chemie Pack Onroerend Goed B.V. is ten onrechte als overtreder aangemerkt;
  4. de kosten van bestuursdwang zijn ten onrechte (volledig) op Chemie Pack Onroerend Goed verhaald;
  5. niet alle in rekening gebrachte kosten houden verband met de toegepaste bestuursdwang.
Ad 1.
Chemie Pack Onroerend Goed bestreed dat het dagelijks bestuur de beheerder was ten aanzien van de sloten in kwestie. Bovendien bestreed zij dat ten tijde van de toepassing van bestuursdwang vaststond dat sprake was van een overtreding van artikel 6.2 Waterwet omdat niet vast zou staan dat op het moment dat bestuursdwang werd toegepast stoffen als bedoeld in artikel 6.1 lid 1 van de Waterwet in de sloten waren terechtgekomen.


De rechtbank oordeelt dat deze gronden slagen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het dagelijks bestuur onvoldoende gemotiveerd waarom zij als bevoegd gezag geldt ten aanzien van de sloten in kwestie en dat sprake was van een overtreding van artikel 6.2 Waterwet.


De rechtbank onderzoekt vervolgens ambtshalve - in het kader van de finale geschilbeslechting - of het dagelijks bestuur bevoegd was tot handhaving over te gaan en komt tot de conclusie dat sprake was van een overtreding van artikel 6.2 Waterwet en dat het dagelijks bestuur bevoegd was om deze bepaling te handhaven.


Ad 2.
De rechtbank oordeelt verder dat het dagelijks bestuur ook bevoegd was om bestuursdwang op de voet van artikel 5:31 lid 2 Awb toe te passen, maar maakt dan een belangrijke kanttekening. De rechtbank overweegt dat op 5 januari 2011 het waterschap is begonnen met het leegpompen van de sloten en dat dit leegpompen rond 9 januari 2011 was voltooid. Vervolgens was het dagelijks bestuur begonnen met het afgraven van de bodem en de oevers van de sloten. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank de ingreep een nieuwe fase ingegaan en had het dagelijks bestuur opnieuw moeten bezien of het op grond van artikel 5:31, eerste of tweede lid, Awb bestuursdwang zonder voorafgaande last had kunnen toepassen. Voor de rechtbank staat niet vast dat de nieuwe fase van de ingreep zo spoedeisend was dat een voorafgaande last achterwege had kunnen worden gelaten. 


Ad 3.
De rechtbank komt op dezelfde gronden als aangehaald in de uitspraak op het beroep van de curator van Chemie Pack Nederland B.V. tot het oordeel dat Chemie Pack Onroerend Goed B.V. terecht als overtreder is aangemerkt.


Ad 4.
Op dezelfde manier komt de rechtbank tot het oordeel dat het dagelijks bestuur terecht de kosten volledig op Chemie Pack Nederland B.V. verhaalt.


Ad 5.
Met de vernietiging van de bestuursdwangbesluiten kunnen de kostenbeschikkingen ook niet in stand blijven, zo oordeelt de rechtbank. Opmerkelijk is wat de rechtbank vermeldt over de grondslag voor het verhalen van de kosten van het meevoeren, opslaan en verwerken van het opgepompte verontreinigd slootwater. 


Het dagelijks bestuur van het waterschap had betoogd dat artikel 6.2 lid 1 Waterwet een rechtstreekse publiekrechtelijke grondslag biedt voor het meevoeren, opslaan en verwerken van het verontreinigd slootwater. Daar is de rechtbank het niet mee eens. De rechtbank overweegt dat artikel 6.2 lid 1 Waterwet een verbod inhoudt om te lozen op het oppervlaktewater en dat handhaving van dat verbod slechts kan inhouden dat het geloosde water uit het oppervlaktewater wordt gehaald. De rechtbank vervolgt dat de artikelen 5:29 en 5:30 Awb wel een grondslag bieden voor het meevoeren, opslaan en verwerken van het opgepompte water, maar constateert dan dat het dagelijks bestuur expliciet heeft verklaard dat deze artikelen niet ten grondslag zijn gelegd aan het meevoeren, opslaan en verwerken. 


LJN: BW8992 (beroep curator Chemie Pack Nederland B.V.)
LJN: BW9002 (beroep Chemie Pack Onroerend Goed B.V.)

maandag 28 mei 2012

Dubbele toets kostenverhaal

Rechtbank 's-Hertogenbosch, 24 april 2012. Het college van B en W van Oss had bestuursdwang toegepast onder aanzegging van kostenverhaal. Tegen dit besluit was geen bezwaar gemaakt. Vervolgens nam het college een kostenbeschikking. Daartegen werd wel bezwaar gemaakt en beroep ingesteld.

Het bijzondere aan de uitspraak van de rechtbank zijn de overwegingen van de rechtbank over het besluit om tot invordering van de kosten over te gaan. De rechtbank stelt vast dat het besluit om de kosten van bestuursdwang te verhalen op de overtreder onaantastbaar is, maar overweegt dat dit niet wegneemt dat het bestuursorgaan bij het nemen van een kostenbeschikking de vraag dient te stellen of in alle redelijkheid tot kostenverhaal kan worden overgegaan. De rechtbank vindt dat zij dit marginaal dient te toetsen.

Naar de mening van de rechtbank dient dus niet alleen bij het nemen van de last onder bestuursdwang, maar ook bij het nemen van de kostenbeschikking te worden nagegaan of het redelijk is dat de kosten van bestuursdwang worden verhaald.
LJN: BW6147

maandag 7 mei 2012

Aanschrijving VVE = aanschrijving individuele eigenaren

HR, 4 mei 2012. Kunnen de kosten van bestuursdwang die jegens de VVE is uitgevoerd, bij dwangbevel worden verhaald op de individuele appartementseigenaren? Het Gerechtshof 's-Gravenhage oordeelde dat het wel kon. De rechtbank Rotterdam oordeelde in een andere zaak dat het niet kon.

Nu heeft de HR in weer een andere zaak de knoop doorgehakt. De HR stelt vast dat de kosten van bestuursdwang alleen bij dwangbevel kunnen worden verhaald op de overtreder. Het besluit tot aanzegging bestuursdwang was alleen aan de VVE gericht. De HR oordeelt echter dat deze aanschrijving op grond van artikel 5:126 lid 2 BW (dat bepaalt dat de VVE de gezamenlijke appartementseigenaren in en buiten rechte kan vertegenwoordigen) tevens als aanschrijving jegens de individuele eigenaren moet worden opgevat, zodat ook de individuele eigenaren als overtreders moeten worden aangemerkt en de kosten bestuursdwang dus ook op hen verhaald kunnen worden.
LJN: BW4812

vrijdag 27 april 2012

Handhaving hennepkwekerij

ABRvS, 25 april 2012. Het college van B en W van Eindhoven ontdekte een hennepkwekerij in een garagebox en paste onmiddellijk bestuursdwang toe op de voet van artikel 5:31 lid 2 Awb.

Grondslag handhavingsbesluit
Aan dit besluit legde het college ten grondslag de overtreding van de volgende wettelijke voorschriften:
  1. het in het bestemmingsplan opgenomen gebruiksverbod;
  2. artikel 2.9.1 sub a Besluit brandveilig gebruik bouwwerken;
  3. artikel 2.52 lid 1 Bouwbesluit 2003;
  4. artikel 1a lid 2 Woningwet.
Ad 2 en 3.
Artikel 2.9.1 sub a Besluit brandveilig gebruik bouwwerken bepaalde dat het verboden was om in, op, aan of nabij een bouwwerk voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, werktuigen, middelen of voorzieningen te gebruiken of niet te gebruiken of anderszins belemmeringen op te werpen of hinder te veroorzaken waardoor brandgevaar wordt veroorzaakt.

Artikel 2.52 lid 1 Bouwbesluit 2003 bepaalde dat een bestaand bouwwerk een veilige voorziening voor elektriciteit heeft.

Uit het feit dat de Afdeling overweegt dat vast staat dat deze voorschriften zijn overtreden, leid ik af dat de elektriciteitsvoorziening niet veilig was en dat daardoor gevaar voor brand bestond.

Beide Besluiten zijn met de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 komen te vervallen. Hoewel ik het Bouwbesluit 2012 niet helemaal uitgeplozen heb, bevatten volgens mij de artikelen 2.62 lid 1 en 6.1 Bouwbesluit 2012 vergelijkbare voorschriften.

Ad 4.
Artikel 1a lid 2 Woningwet bepaalt dat een ieder die een bouwwerk bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat gebruiken, er voor zorgt, voor zover dat in diens vermogen ligt, dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat artikel 1a lid 2 Woningwet alleen gehandhaafd kan worden als in het desbetreffende geval geen bij of krachtens de Woningwet gegeven voorschrift van meer specifieke aard valt aan te wijzen op grond waarvan in afdoende mate kan worden opgetreden ter voorkoming of beëindiging van het geconstateerde gevaar. Ook in die zaak ging het over een hennepkwekerij. Het bevoegd gezag had geconstateerd dat de elektriciteitsvoorziening onvakkundig was aangelegd, waardoor er gevaar voor brand, elektrocutie en kortsluiting bestond. De Afdeling oordeelde dat geen specifieker voorschrift dan artikel 1a lid 2 Woningwet ten grondslag kon worden gelegd aan het besluit om bestuursdwang toe te passen.

In deze zaak worden artikel 2.52 lid 1 Bouwbesluit 2003 en artikel 2.91 sub a Besluit brandveilig gebruiken bouwwerken genoemd als twee specifieke voorschriften die werden overtreden. Beide voorschriften zijn bij of krachtens de Woningwet gesteld en zien specifiek op het voorkomen van een onveilige en brandgevaarlijke situatie. Toch overweegt de Afdeling zonder nadere motivering dat vast staat dat (ook) artikel 1a lid 2 Woningwet is overtreden. Kennelijk heeft de appellant daar geen punt van gemaakt.

Het gevaar wordt kennelijk veroorzaakt door de onvakkundig aangelegde elektriciteitsvoorziening. Wat gebeurt er als er bij de hennepkwekerij wel een vakkundig aangelegde elektriciteitsvoorziening is en er niet aannemelijk gemaakt kan worden dat er een gevaarlijke situatie is?

In dat geval zal geen sprake zijn van een overtreding van het Bouwbesluit 2013. Wel blijft er sprake van een overtreding van het gebruiksverbod van het bestemmingsplan.De vraag rijst dan echter of het geval dan dermate spoedeisend is dat op de voet van artikel 5:31 lid 2 Awb zonder oplegging van een last kan worden overgegaan tot het toepassen van bestuursdwang.

Herstelmaatregelen
Het college had bestuursdwang toegepast door de elektriciteitsvoorziening af te sluiten en door alle zaken die betrekking hadden op de hennepkwekerij te verwijderen. De appellant betoogde dat het college had moeten volstaan met het afsluiten van de elektriciteitsvoorziening. De Afdeling overweegt dat de bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen de bevoegdheid omvat om alles te doen wat nodig is om een einde aan de overtreding te maken. De Afdeling oordeelt vervolgens dat met het enkel afsluiten van de elektriciteitsvoorziening de kans bestaat dat een nieuwe aansluiting op het elektriciteitsnet zal worden gemaakt en de exploitatie van de hennepkwekerij wordt voortgezet. Daar voegt de Afdeling nog aan toe dat met het enkel afsluiten van de elektriciteitsvoorziening geen einde wordt gemaakt aan de overtreding van het bestemmingsplan.

Verhaal kosten

De appellant betoogde dat het college bekend was met de identiteit van de gebruiker van de garagebox en dat het college daarom de kosten op die persoon had moeten verhalen en niet op hem. De Afdeling overweegt dat ook de appellant als overtreder kan worden aangemerkt, zodat het college had kunnen besluiten om de kosten van bestuursdwang op hem te verhalen. Dat het college ook bevoegd was om deze kosten te verhalen op de andere overtreder, doet daar niet aan af.

De appellant betoogde tot slot dat de opsporing en ontmanteling van de hennepkwekerij een taak van de politie is en dat de overtreder in dat geval de kosten van ontmanteling niet verschuldigd geweest zou zijn. Ook daarom vond de appellant het niet redelijk dat de kosten op hem verhaald werden. De Afdeling overweegt dat het college in het feit dat de hennepkwekerij ook door de politie ontmanteld had kunnen worden terecht geen aanleiding heeft gezien om de kosten niet op appellant te verhalen.
LJN: BW3837 

donderdag 12 januari 2012

Geen verhaal van voorbereidingskosten bij spoedeisende bestuursdwang

ABRvS, 11 januari 2012. Het college van B en W van Breda had op de voet van artikel 5:31 lid 2 Awb zeer spoedeisende bestuursdwang toegepast en een hennepkwekerij ontruimd. Bij het naderhand op schrift stellen van de bestuursdwangbeschikking riep het college juridische bijstand in. De kosten van deze bijstand wilde het college verhalen.

Het college had zich blijkbaar (zo blijkt indirect uit de uitspraak) op het standpunt gesteld dat de kosten van juridische bijstand, hoewel die waren gemaakt nadat bestuursdwang was toegepast, aangemerkt moeten worden als voorbereidingskosten en op de voet van artikel 5:25 lid 3 Awb kunnen worden verhaald. Artikel 5:25 lid 3 Awb bepaalt dat tot de kosten van bestuursdwang worden gerekend de kosten van voorbereiding, maar wel voor zover deze zijn gemaakt na het verstrijken van de begunstigingstermijn. In die 'mits' zit de crux. De essentie van spoedeisende bestuursdwang is immers dat bestuursdwang kan worden toegepast zonder voorafgaande last, zodat er ook nooit een begunstigingstermijn zal verstrijken. De tekst van de wet staat dus in de weg aan het verhalen van kosten van voorbereiding bij spoedeisende bestuursdwang. 

De Afdeling overweegt dat de kosten van juridische bijstand niet verhaald kunnen worden op de overtreder. Daarbij baseert de Afdeling zich niet alleen op de tekst van de wet, maar ook op de parlementaire geschiedenis. De Afdeling overweegt:
"In dit verband wordt gewezen op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:25, derde lid, van de Awb (Kamerstukken II 1994/1995, 23 700, nr. 5, p. 101) waarin - samengevat weergegeven - staat dat in gevallen waarin geen termijn wordt gegund omdat de uitoefening van bestuursdwang spoedeisend is, de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, ook voor zover zij zijn gemaakt na het besluit tot toepassing van bestuursdwang, voor rekening komen van het bestuursorgaan."
Op zich is het logisch dat de kosten van juridische bijstand bij het opstellen van een bestuursdwangbeschikking niet verhaald kunnen worden. Dergelijke kosten kunnen immers ook bij toepassing van gewone bestuursdwang niet worden verhaald. 

Wat minder logisch is, is dat de Afdeling onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis tot het algemene oordeel komt dat kosten van voorbereiding bij spoedeisende bestuursdwang niet kunnen worden verhaald. 

De passage uit de parlementaire geschiedenis waarnaar de Afdeling verwijst komt uit de nota naar aanleiding van het verslag van de behandeling van het wetsvoorstel derde tranche Awb en is een antwoord op een vraag die gesteld is over het (huidige) derde lid van artikel 5:25 Awb. De door de Afdeling gegeven samenvatting is bijna een letterlijke weergave van die passage. Een uitleg wordt echter niet gegeven, terwijl de passage wel om een uitleg vraagt. Want waarom kunnen de kosten van voorbereiding bij spoedeisende bestuursdwang niet en bij reguliere bestuursdwang wel worden verhaald? Wie het weet, mag het zeggen.
LJN: BV0587

vrijdag 22 april 2011

Verzoek voorlopige voorziening Chemie-Pack afgewezen

Vz. rechtbank Breda, 21 april 2011. In de kwestie Chemie-Pack is de eerste bestuursrechtelijke uitspraak gedaan door de voorzienngenrechter van de rechtbank Breda.

Eén van de meest interessante vragen die de voorzieningenrechter beantwoordt is in hoeverre een overtreder belang heeft bij het laten treffen van een voorlopige voorziening tegen een beschikking toepassing bestuursdwang zonder voorafgaande lastgeving als de bestuursdwang al is uitgevoerd.

Inleiding
Nadat de brand bij Chemie-Pack was uitgebroken is de brandweer gaan blussen. Het bluswater stroomde vervolgens in de sloot, waardoor artikel 6.2 van de Waterwet werd overtreden. Het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta is bevoegd gezag en besloot onmiddellijk bestuursdwang toe te passen en de sloot schoon te maken op kosten van Chemie-Pack. Tevens liet het waterschap conservatoire beslagen leggen ten laste van Chemie-Pack tot zekerstelling van haar verhaalsmogelijkheden.

Chemie-Pack maakte bezwaar tegen deze beschikking en diende ruim drie maanden na de verzending van het besluit een verzoek voorlopige voorziening in. Zij verzocht de voorzieningenrechter om het besluit te schorsen en de conservatoire beslagen op te heffen c.q. het dagelijks bestuur te verplichten tot het laten opheffen van de beslagen.

Het verzoek tot opheffing van de conservatoire beslagen
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot opheffing van de conservatoire beslagen omdat het besluit tot het leggen van de conservatoire beslagen geen besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb is. Ook verklaart de voorzieningenrechter zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om het dagelijks bestuur te verplichten de conservatoire beslagen op te laten heffen. Een besluit tot opheffing van de beslagen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling en op grond van artikel 8:3 Awb niet appellabel.

Het verzoek tot schorsing van het besluit
Het dagelijks bestuur had betoogd, zo leid ik af uit de uitspraak, dat het verzoek reeds diende te worden afgewezen bij gebreke van een spoedeisend belang. De redenering staat niet in de uitspraak, maar ze zal geweest zijn dat schorsing van het besluit geen doel kan dienen omdat reeds bestuursdwang is toegepast.

De voorzieningenrechter passeert dit verweer. Hij overweegt dat schorsing van het besluit een belemmering kan vormen voor het nemen van een kostenbeschikking en dat dat weer een rol kan spelen bij het verzoek tot opheffing van de conservatoire beslagen.

De voorzieningenrechter nuanceert vervolgens de spoedeisendheid van het belang van Chemie-Pack omdat:
1.  een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het besluit niet zonder meer leidt tot opheffing van de conservatoire beslagen;
2.  het verzoek tot schorsing eigenlijk neerkomt op een verzoek om een verklaring voor recht dat Chemie-Pack niet gehouden is tot vergoeding van de kosten van bestuursdwang en de voorzieningenrechter niet bevoegd is om een dergelijke verklaring te geven en;
3.  Chemie-Pack zelf eraan heeft bijgedragen dat nog geen heroverweging in bezwaar heeft kunnen plaatsvinden omdat zij pas aan het einde van de bezwaartermijn bezwaar heeft gemaakt en vervolgens pas na zeven weken een aanvullend bezwaarschrift heeft ingediend.

De voorzieningenrechter komt op grond hiervan tot de overweging dat hij het verzoek alleen kan toewijzen als het besluit lijdt aan een of meer evidente en ernstige gebreken en dit gebrek of deze gebreken in bezwaar niet kan/kunnen worden hersteld.

Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter dat het dagelijks bestuur bevoegd was bestuursdwang toe te passen, dat het Chemie-Pack niet in de gelegenheid had hoeven stellen om zelf maatregelen te treffen en dat Chemie-Pack terecht als overtreder is aangemerkt. De voorzieningenrechter constateert derhalve geen evidente gebreken en wijst het verzoek af.

De overweging van de voorzieningenrechter dat Chemie-Pack terecht als overtreder is aangemerkt is vooral gebaseerd op de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2008 (LJN: BF8999). Die uitspraak had betrekking op een vrijwel identieke situatie (waar overigens ook het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta bestuursdwang had toegepast). Ook in die zaak voerde het betrokken bedrijf aan dat het ten onrechte als overtreder was aangemerkt omdat het niet zelf het bluswater in de sloot had geloosd, geen bluswerkzaamheden had uitgevoerd en geen enkele invloed had gehad op de bluswerkzaamheden. De Afdeling oordeelde dat het bedrijf de overtreding niet feitelijk had begaan, maar dat de overtreding wel aan haar kon worden toegerekend omdat de bluswerkzaamheden feitelijk moeten worden geacht te zijn verricht in opdracht van het bedrijf. Brandbestrijding door de brandweer in een bedrijf moet in het algemeen worden geacht de gevolgen van die brand te beperken en die gevolgen kunnen aan het bedrijf worden toegerekend. Aldus de Afdeling.

De voorzieningenrechter overweegt op basis van deze uitspraak dat Chemie-Pack verantwoordelijk moet worden gehouden voor het lozen van het bluswater, nu die lozing rechtstreeks samenhangt met het blussen van de brand bij Chemie-Pack. Dat het bluswater via een ander terrein in de sloot is gelopen, maakt dat naar het (voorlopig) oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. 
LJN: BQ2058 

maandag 21 maart 2011

Verhaal kosten bestuursdwang op anderen dan de overtreder bij dwangbevel

Gerechtshof 's-Gravenhage, 15 maart 2011. Artikel 5:26 lid 1 Awb (oud) bepaalde dat het bestuursorgaan dat bestuursdwang had toegepast bij dwangbevel de kosten van bestuursdwang van de overtreder kon invorderen. De vraag kan worden gesteld of de kosten van bestuursdwang ook bij dwangbevel kunnen worden ingevorderd van personen die niet als overtreder kunnen worden aangemerkt, maar die op grond van de wet wel moeten instaan voor de betaling van die kosten.

Het dagelijks bestuur van de deelgemeente Feijenoord had een bestuursdwangaanschrijving verzonden aan de Vereniging van Eigenaren (VVE) van een appartementengebouw wegens overtreding van de Woningwet (de overtreden bepaling wordt in de uitspraak niet genoemd). Strekking van de bestuursdwangaanschrijving was om een aantal voorzieningen aan het gebouw aan te brengen. Uiteindelijk heeft het dagelijks bestuur bestuursdwang moeten toepassen en heeft het de kosten daarvan bij dwangbevel op de individuele appartementseigenaren verhaald.

De rechtbank oordeelde - kort gezegd - dat weliswaar de individuele eigenaren op grond van artikel 5:113 lid 5 BW ieder voor hun deel aansprakelijk zijn voor de schuld van de VVE, maar dat alleen de VVE als overtreder kon worden aangemerkt en dat daarom de kosten van bestuursdwang niet bij dwangbevel op de individuele eigenaren konden worden verhaald.

Het gerechtshof vernietigt dit vonnis. Het overweegt dat de gemeente de schuld op grond van artikel 5:113 lid 5 BW kan verhalen op de individuele apparementseigenaren en dat deze regeling niet opzij gezet wordt door het bepaalde in artikel 5:26 lid 1 Awb (dat de kosten van bestuursdwang bij dwangbevel kunnen worden verhaald van de overtreder).

Enigzins opmerkelijk is dit arrest wel. Artikel 5:26 lid 1 Awb zet immers artikel 5:113 lid 5 BW niet opzij. Artikel 5:26 lid 1 Awb laat onverlet dat de kosten op de individuele eigenaren kunnen worden verhaald, alleen niet bij dwangbevel. Die kosten zullen dan via een civiele procedure moeten worden verhaald.
LJN: BP8059

De HR heeft inmiddels (op 4 mei 2012) in een andere zaak geoordeeld dat een aanschrijving gericht aan de VVE op grond van artikel 5:126 lid 2 BW mede moet worden aangemerkt als een aanschrijving jegens de individuele eigenaren, zodat de kosten van bestuursdwang bij dwangbevel tevens op de individuele eigenaren kunnen worden verhaal, ook al is het besluit alleen aan de VVE gericht.