ABRvS, 4 december 2013. Het college van B en W van Bronckhorst had geconstateerd dat een recreatiewoning in strijd met het vigerende bestemmingsplan werd gebruikt als hoofdverblijf en had de last onder dwangsom opgelegd om deze overtreding te beëindigen. De overtreder voerde aan dat het besluit in strijd was met artikel 5:32a lid 1 Awb omdat de te nemen herstelmaatregelen onvoldoende duidelijk waren omschreven.
De Afdeling volgt de overtreder niet en overweegt dat in het besluit is aangegeven op grond van welke bevindingen de constatering van de overtreding is gebaseerd, zodat de overtreder ook weet welke omstandigheden van invloed zijn op het hebben van een hoofdverblijf en de beëindiging daarvan. De Afdeling verwijst daarbij naar haar uitspraak van 7 oktober 2009, waarin de Afdeling oordeelde dat de eisen van rechtszekerheid niet zover reiken dat op voorhand moet worden aangegeven onder welke omstandigheden er sprake is van het hebben van een hoofdverblijf elders.
ECLI:NL:RVS:2013:2240
Dit is een blog van Jaap IJdema van Adriaanse van der Weel Advocaten over uitspraken op het gebied van herstelsanctiebesluiten.
zondag 8 december 2013
donderdag 7 november 2013
Toetsingskader bij toepassing bevoegdheid artikel 8:72 lid 3 Awb (in stand laten rechtsgevolgen)
ABRvS, 6 november 2013. Op grond van artikel 8:72 lid 3 Awb kan de rechter na vernietiging van het bestreden besluit de rechtsgevolgen van dat besluit in stand laten. De Afdeling oordeelde eerder dat de rechter bij toepassing van die bevoegdheid moest uitgaan van de feiten en omstandigheden ten tijde van de uitspraak. Die jurisprudentie heeft de Afdeling nu gewijzigd in zaken waarin het gaat om de vraag of het bestuursorgaan al dan niet terecht handhavend heeft opgetreden of heeft geweigerd dat te doen. De Afdeling is van oordeel dat in dat soort gevallen het rechtszekerheidsbeginsel vergt dat bij toepassing van de bevoegdheid van artikel 8:72 lid 3 Awb wordt uitgegaan van het tijdstip waarop het bestreden besluit is genomen.
Ik citeer uit de uitspraak van de Afdeling:
Ik citeer uit de uitspraak van de Afdeling:
"Weliswaar is in onder meer de uitspraak van 13 oktober 2010 overwogen dat de rechter bij de aanwending van de bevoegdheid tot het in stand laten van de rechtsgevolgen dient uit te gaan van de feiten en omstandigheden op het moment van de uitspraak en het dan geldende recht. Dit is echter anders indien het gaat om zaken waarbij de vraag aan de orde is of het college al dan niet terecht is overgegaan tot handhavend optreden of heeft geweigerd dat te doen. Bij de beoordeling van die besluiten dient te worden onderzocht of de gesanctioneerde gedraging ten tijde van het besluit waarbij tot handhavend optreden is overgegaan of is geweigerd daartoe over te gaan had plaatsgevonden en toen verboden was. Indien hierover anders zou worden geoordeeld, zou dit in strijd met de rechtszekerheid tot gevolg kunnen hebben dat een bestuursorgaan handhavend kan optreden tegen een bouwwerk dat vergunningsvrij kon worden opgericht, terwijl dat door veranderde wetgeving niet langer mogelijk is."ECLI:NL:RVS:2013:1789
Wanneer verbeurt een dwangsom per tijdseenheid (3)?
ABRvS, 6 november 2013. Wanneer verbeurt een dwangsom per tijdseenheid? Stel dat de last wordt opgelegd om vóór 1 december a.s. een einde aan de overtreding te maken op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per week dat de last niet wordt uitgevoerd. Verbeurt de eerste dwangsom dan op 1 december a.s. of op 8 december a.s.?
Op 8 juli 2011 oordeelde de Hoge Raad dat de dwangsom pas aan het einde van de tijdseenheid verbeurt, dus op 8 december a.s. in het voorbeeld. Op 12 december 2012 deed de Afdeling een uitspraak, waaruit werd afgeleid dat de Afdeling dezelfde mening was toegedaan. In haar uitspraak van 6 november jl. oordeelt de Afdeling zeer expliciet dat een dwangsom per tijdseenheid pas verbeurd raakt na het verstrijken van de tijdseenheid. Ik citeer:
ECLI:NL:RVS:2013:1829
Op 8 juli 2011 oordeelde de Hoge Raad dat de dwangsom pas aan het einde van de tijdseenheid verbeurt, dus op 8 december a.s. in het voorbeeld. Op 12 december 2012 deed de Afdeling een uitspraak, waaruit werd afgeleid dat de Afdeling dezelfde mening was toegedaan. In haar uitspraak van 6 november jl. oordeelt de Afdeling zeer expliciet dat een dwangsom per tijdseenheid pas verbeurd raakt na het verstrijken van de tijdseenheid. Ik citeer:
"Nu artikel 5:32b, eerste lid, van de Awb spreekt van een tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd en de in dit geval gekozen tijdseenheid van een week niet geheel was verstreken alvorens een nieuwe termijn werd gegeven, zijn geen dwangsommen verbeurd. Van dezelfde wetsuitleg getuigt het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2011 in zaak nr. 10/00525 (ECLI:NL:HR:2011:BQ5076)."In deze zaak had het bestuursorgaan een last opgelegd op straffe van verbeurte van een dwangsom per week. Op de zevende dag van die week gaf het bestuursorgaan de overtreder een nieuwe begunstigingstermijn. Degene die om handhaving had verzocht wees erop dat na het verstrijken van de begunstigingstermijn de begunstigingstermijn niet kan worden verlengd, zodat toch een dwangsom was verbeurd. De Afdeling oordeelt dat het juist is dat de begunstigingstermijn niet is verlengd, maar dat de nieuwe begunstigingstermijn is vastgesteld op de laatste dag van de week, zodat de tijdseenheid nog niet volledig verstreken was en er dus nog geen dwangsom was verbeurd op het moment dat een nieuwe begunstigingstermijn werd gegeven.
ECLI:NL:RVS:2013:1829
woensdag 16 oktober 2013
Overgangsrecht: bouwen is eenmalige overtreding
ABRvS, 16 oktober 2013. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 1 juni 2011een uitleg gegeven aan de overgangsbepaling van artikel IV lid 1 Wet vierde tranche Awb, waarmee een einde kwam aan de onduidelijkheid over welk recht nu van toepassing was ten aanzien van overtredingen die vóór 1 juli 2009 waren aangevangen en daarna waren blijven voortduren. Ten aanzien van deze overtredingen is het oude recht van toepassing als het bevoegd gezag vóór 1 juli 2009 een voornemen tot het opleggen van een herstelsanctie heeft gestuurd, waarbij het de overtreder in de gelegenheid heeft gesteld om zijn zienswijze te geven. In haar uitspraak van 16 oktober 2013 heeft de Afdeling deze jurisprudentie nog wat verder geconcretiseerd voor wat betreft het bouwen zonder bouwvergunning.
Het college van B en W van Oldenzaal had op 6 januari 2009 een bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een bouwwerk. Op 22 december 2009 trok het college deze bouwvergunning in omdat bij de aanvraag onjuiste gegevens waren verstrekt. Vervolgens legde het college een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 40 lid 1 Woningwet (oud). De last werd niet uitgevoerd, waarna het college een beschikking nam omtrent de invordering van de verbeurde dwangsommen. In de procedure tegen die beschikking rees de vraag welk recht van toepassing was.
De Afdeling oordeelt dat de intrekking van de bouwvergunning terugwerkende kracht heeft, zodat de bouwvergunning moet worden geacht nooit te hebben bestaan. Dat betekent dat reeds bij het begin van de bouwwerkzaamheden artikel 40 lid 1 Woningwet werd overtreden. Vast stond dat de bouwwerkzaamheden waren begonnen vóór 1 juli 2009. De Afdeling voorkomt een discussie over de vraag of de werkzaamheden al dan niet vóór 1 juli 2009 zijn voltooid, door te overwegen dat het bouwen zonder bouwvergunning - met het oog op een praktisch werkbare toepassing van het overgangsrecht - moet worden geduid als een eenmalige overtreding. Het moment waarop de bouwwerkzaamheden zijn aangevangen is het moment waarop die eenmalige overtreding naar het oordeel van de Afdeling moet worden geacht te zijn verricht. Nu in dit geval vast stond dat de werkzaamheden vóór 1 juli 2009 waren verricht, was het oude recht van toepassing.
ECLI:NL:RVS:2013:1563
Het college van B en W van Oldenzaal had op 6 januari 2009 een bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een bouwwerk. Op 22 december 2009 trok het college deze bouwvergunning in omdat bij de aanvraag onjuiste gegevens waren verstrekt. Vervolgens legde het college een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 40 lid 1 Woningwet (oud). De last werd niet uitgevoerd, waarna het college een beschikking nam omtrent de invordering van de verbeurde dwangsommen. In de procedure tegen die beschikking rees de vraag welk recht van toepassing was.
De Afdeling oordeelt dat de intrekking van de bouwvergunning terugwerkende kracht heeft, zodat de bouwvergunning moet worden geacht nooit te hebben bestaan. Dat betekent dat reeds bij het begin van de bouwwerkzaamheden artikel 40 lid 1 Woningwet werd overtreden. Vast stond dat de bouwwerkzaamheden waren begonnen vóór 1 juli 2009. De Afdeling voorkomt een discussie over de vraag of de werkzaamheden al dan niet vóór 1 juli 2009 zijn voltooid, door te overwegen dat het bouwen zonder bouwvergunning - met het oog op een praktisch werkbare toepassing van het overgangsrecht - moet worden geduid als een eenmalige overtreding. Het moment waarop de bouwwerkzaamheden zijn aangevangen is het moment waarop die eenmalige overtreding naar het oordeel van de Afdeling moet worden geacht te zijn verricht. Nu in dit geval vast stond dat de werkzaamheden vóór 1 juli 2009 waren verricht, was het oude recht van toepassing.
ECLI:NL:RVS:2013:1563
dinsdag 8 oktober 2013
Bouwvergunningvrij onder de Woningwet = vergunningvrij onder de Wabo
ABRvS, 25 september 2013. Het college van B en W van Den Haag legde een last onder dwangsom op wegens een overtreding van artikel 2.3a Wabo (het in stand laten van een bouwwerk dat zonder omgevingsvergunning is gebouwd). De rechtbank toetste aan het recht zoals dat geldt na 1 oktober 2010 (invoering Wabo). De overtreder betoogde dat getoetst had moeten worden aan het recht zoals dat na 1 oktober 2010 geldt.
De Afdeling oordeelt dat op grond van artikel 1.6 Invoeringswet Wabo de Wabo van toepassing is op het handhavingsbesluit omdat het besluit is genomen na 1 oktober 2010. Dan vervolgt de Afdeling met de volgende passage:
"Dit neemt niet weg, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 oktober 2012, in zaak nr. 201112209/1/R1), dat ingevolge artikel 2.3a, tweede lid, van de Wabo, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming ervan (Kamerstukken II 2008/09, 31 953, nr. 3, blz. 43), het in artikel 2.3a, eerste lid, bedoelde verbod buiten toepassing blijft voor het bouwen van bouwwerken waarvoor ingevolge artikel 2.1, derde lid, van de Wabo geen vergunning is of was vereist. De Afdeling heeft in die uitspraak onder meer overwogen dat een redelijke, mede door de rechtszekerheid ingegeven, uitleg meebrengt dat ook bouwwerken of delen van bouwwerken die onder de werking van de Woningwet vergunningvrij zijn gebouwd, onder de Wabo vergunningvrij in stand mogen worden gelaten."
De slotsom is derhalve dat bouwwerken die vóór 1 oktober 2010 zonder bouwvergunning zijn en konden worden gebouwd, in stand gelaten mogen worden.
ECLI:NL:RVS:2013:1245
De Afdeling oordeelt dat op grond van artikel 1.6 Invoeringswet Wabo de Wabo van toepassing is op het handhavingsbesluit omdat het besluit is genomen na 1 oktober 2010. Dan vervolgt de Afdeling met de volgende passage:
"Dit neemt niet weg, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 oktober 2012, in zaak nr. 201112209/1/R1), dat ingevolge artikel 2.3a, tweede lid, van de Wabo, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming ervan (Kamerstukken II 2008/09, 31 953, nr. 3, blz. 43), het in artikel 2.3a, eerste lid, bedoelde verbod buiten toepassing blijft voor het bouwen van bouwwerken waarvoor ingevolge artikel 2.1, derde lid, van de Wabo geen vergunning is of was vereist. De Afdeling heeft in die uitspraak onder meer overwogen dat een redelijke, mede door de rechtszekerheid ingegeven, uitleg meebrengt dat ook bouwwerken of delen van bouwwerken die onder de werking van de Woningwet vergunningvrij zijn gebouwd, onder de Wabo vergunningvrij in stand mogen worden gelaten."
De slotsom is derhalve dat bouwwerken die vóór 1 oktober 2010 zonder bouwvergunning zijn en konden worden gebouwd, in stand gelaten mogen worden.
ECLI:NL:RVS:2013:1245
Last impliceert vergunning
ABRvS, 25 september 2013. Een eigenaar van een perceel had in strijd met het bestemmingsplan een paardenbak op zijn perceel aangelegd. Het bevoegd gezag legde de last onder dwangsom op om deze paardenbak te verwijderen, waarbij het bepaalde dat voor het uitvoeren van de last een omgevingsvergunning voor het slopen op grond van de Wabo en een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet moest worden verleend.
De Afdeling overweegt dat geen omgevingsvergunning voor het slopen is vereist omdat de last een omgevingsvergunning voor het slopen impliceert. Dat geldt niet voor de ontheffing omdat een ander bestuursorgaan bevoegd is om de ontheffing te verlenen. De Afdeling oordeelt dat de last niet afhankelijk kan worden gesteld van de medewerking van een ander bestuursorgaan. Toch laat de Afdeling de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
De overtreder had betoogd dat geen ontheffing zou kunnen worden verleend. De Afdeling oordeelt dat het aan de overtreder is om dat aannemelijk te maken en dat de overtreder daar in dit geval niet in geslaagd was. De Afdeling overweegt dat als uiteindelijk de ontheffing toch zou worden geweigerd de overtreder op grond van artikel 5:34 Awb opheffing van de last kan vragen.
Tot slot stelt de Afdeling vast dat het bestuursorgaan bij het bepalen van de begunstigingstermijn rekening heeft gehouden met het doorlopen van de procedure voor het verlenen van een ontheffing, zodat de begunstigingstermijn niet te kort is.
ECLI:NL:RVS:2013:1247
De Afdeling overweegt dat geen omgevingsvergunning voor het slopen is vereist omdat de last een omgevingsvergunning voor het slopen impliceert. Dat geldt niet voor de ontheffing omdat een ander bestuursorgaan bevoegd is om de ontheffing te verlenen. De Afdeling oordeelt dat de last niet afhankelijk kan worden gesteld van de medewerking van een ander bestuursorgaan. Toch laat de Afdeling de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
De overtreder had betoogd dat geen ontheffing zou kunnen worden verleend. De Afdeling oordeelt dat het aan de overtreder is om dat aannemelijk te maken en dat de overtreder daar in dit geval niet in geslaagd was. De Afdeling overweegt dat als uiteindelijk de ontheffing toch zou worden geweigerd de overtreder op grond van artikel 5:34 Awb opheffing van de last kan vragen.
Tot slot stelt de Afdeling vast dat het bestuursorgaan bij het bepalen van de begunstigingstermijn rekening heeft gehouden met het doorlopen van de procedure voor het verlenen van een ontheffing, zodat de begunstigingstermijn niet te kort is.
ECLI:NL:RVS:2013:1247
Aanvrager last onder dwangsom, belanghebbende bij verzoek omtrent invordering
ABRvS, 25 september 2013. Kan degene die om handhaving heeft verzocht ook als belanghebbende worden aangemerkt bij een besluit omtrent invordering?
Artikel 5:37 lid 2 Awb bepaalt dat een bestuursorgaan een beslissing moet nemen omtrent de invordering van verbeurde dwangsommen als een belanghebbende daarom verzoekt. In de memorie van toelichting op de vierde tranche wordt vermeld dat daarbij ten eerste moet worden gedacht aan degene die om de oplegging van een last onder dwangsom heeft verzocht. De vraag rijst echter of degene die om oplegging van een last onder dwangsom heeft verzocht ook als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 lid 1 Awb kan worden aangemerkt bij een beslissing omtrent de invordering van verbeurde dwangsommen. Een omwonende die geluidsoverlast ondervindt van een nabij gelegen café zal een rechtstreeks belang hebben bij het beëindigen van een overtreding van de geluidvoorschriften van het Activiteitenbesluit. Maar welk rechtstreeks belang heeft hij bij de invordering van eventueel verbeurde dwangsommen?
Lagere rechters gingen hier verschillend mee om. Zo oordeelde de voorzieningenrechter van de Rechtbank Breda op 2 augustus 2012 (niet gepubliceerd) dat de invordering van verbeurde dwangsommen louter een financieel belang betrof en dat belang degene die om handhaving had verzocht niet raakte. Een andere voorzieningenrechter van dezelfde rechtbank oordeelde op 6 december 2012 dat degene die belanghebbende is bij het verzoek tot handhaving ook belanghebbende is bij een verzoek tot invordering.
De Afdeling heeft nu gesproken. De Afdeling overweegt dat degene die als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een besluit omtrent handhaving ook als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een besluit omtrent invordering. Dat geldt ook, zo overweegt de Afdeling, als ten aanzien van een besluit omtrent invordering dat niet op verzoek, maar ambtshalve door het bestuursorgaan is genomen.
ECLI:NL:RVS:2013:1268
Artikel 5:37 lid 2 Awb bepaalt dat een bestuursorgaan een beslissing moet nemen omtrent de invordering van verbeurde dwangsommen als een belanghebbende daarom verzoekt. In de memorie van toelichting op de vierde tranche wordt vermeld dat daarbij ten eerste moet worden gedacht aan degene die om de oplegging van een last onder dwangsom heeft verzocht. De vraag rijst echter of degene die om oplegging van een last onder dwangsom heeft verzocht ook als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 lid 1 Awb kan worden aangemerkt bij een beslissing omtrent de invordering van verbeurde dwangsommen. Een omwonende die geluidsoverlast ondervindt van een nabij gelegen café zal een rechtstreeks belang hebben bij het beëindigen van een overtreding van de geluidvoorschriften van het Activiteitenbesluit. Maar welk rechtstreeks belang heeft hij bij de invordering van eventueel verbeurde dwangsommen?
Lagere rechters gingen hier verschillend mee om. Zo oordeelde de voorzieningenrechter van de Rechtbank Breda op 2 augustus 2012 (niet gepubliceerd) dat de invordering van verbeurde dwangsommen louter een financieel belang betrof en dat belang degene die om handhaving had verzocht niet raakte. Een andere voorzieningenrechter van dezelfde rechtbank oordeelde op 6 december 2012 dat degene die belanghebbende is bij het verzoek tot handhaving ook belanghebbende is bij een verzoek tot invordering.
De Afdeling heeft nu gesproken. De Afdeling overweegt dat degene die als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een besluit omtrent handhaving ook als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een besluit omtrent invordering. Dat geldt ook, zo overweegt de Afdeling, als ten aanzien van een besluit omtrent invordering dat niet op verzoek, maar ambtshalve door het bestuursorgaan is genomen.
ECLI:NL:RVS:2013:1268
Abonneren op:
Posts (Atom)