woensdag 5 februari 2014

Hoger beroep Chemie Pack

ABRvS, 22 januari 2014. De Afdeling heeft uitspraak gedaan op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Breda in de zaak Chemie Pack. Tegen deze uitspraak was hoger beroep ingesteld door het dagelijks bestuur van het Waterschap, Chemie Pack Onroerend Goed B.V. en de curator van Chemie Pack Nederland B.V.

Hoger beroep Chemie Pack Nederland B.V.
De Afdeling komt in het hoger beroep van Chemie Pack Nederland B.V. alleen maar toe aan de grief van Chemie Pack dat zij ten onrechte als overtreder is aangemerkt. Deze grief slaagt niet. De Afdeling oordeelt dat de brandbestrijding bij een bedrijf door de brandweer in het algemeen moet worden geacht de gevolgen van die brand te beperken en de gevolgen daarvan kunnen aan het bedrijf worden toegerekend. Dat de brandbestrijding ook in het belang van omliggende bedrijven was maakt dat niet anders. Aldus de Afdeling.

Hoger beroep Chemie Pack Onroerend Goed B.V.
Ook Chemie Pack Onroerend Goed B.V. betoogde dat zij ten onrechte als overtreder was aangemerkt. De Afdeling constateert echter dat Chemie Pack Nederland B.V. drijver van de inrichting is en Chemie Pack Onroerend Goed B.V. de eigenaresse van het perceel en de opstallen. Beide bedrijven behoren tot hetzelfde concern en er is één man die de volledige zeggenschap over beide bedrijven heeft. De Afdeling oordeelt dat daarmee sprake is van een zodanig nauwe verwevenheid tussen Chemie Pack Nederland B.V. en Chemie Pack Onroerend Goed B.V. dat ook laatstgenoemde als overtreder aangemerkt kan worden. 

Chemie Pack Onroerend Goed B.V. betoogde verder dat de kosten ten onrechte volledig op haar zijn verhaald omdat de schade te wijten zou zijn aan fouten van de brandweer. De Afdeling oordeelt dat dit niet blijkt uit het onderzoek dat naar het optreden van de brandweer is verricht. Hoewel de Afdeling dus inhoudelijk ingaat op dit argument, overweegt de Afdeling expliciet dat niet vaststaat dat fouten van de brandweer ertoe leiden dat de kosten van bestuursdwang niet of niet volledig op de overtreder kunnen worden verhaald.

Chemie Pack Onroerend Goed B.V. voerde verder nog aan dat niet alle maatregelen waren vermeld in het besluit tot toepassing van bestuursdwang zonder voorafgaande last. De Afdeling oordeelt dat uit de wet volgt dat een beslissing ex artikel 5:31 lid 2 Awb zo spoedig mogelijk op schrift moet worden gesteld, maar dat daarmee niet is gegeven dat op dat moment alle maatregelen al moeten zijn getroffen.  

Hoger beroep dagelijks bestuur
De rechtbank had geoordeeld dat met het afgraven van de bodem van de sloot en de oevers een nieuwe fase was ingetreden en dat deze fase  niet zodanig spoedeisend was dat het dagelijks bestuur ook deze werkzaamheden op de voet van artikel 5:31 lid 2 Awb had kunnen verrichten. De Afdeling oordeelt dat wel sprake was van een voortdurende spoedeisendheid en vernietigt op dit punt de uitspraak van de rechtbank.

De rechtbank had geoordeeld dat de overtreding van artikel 6.2 lid 1 Waterwet alleen ongedaan kon worden gemaakt door het verontreinigd water uit de sloot te halen en dat daardoor het afvoeren, opslaan en verwerken van het verontreinigd water daar niet onder viel. De Afdeling oordeelt dat die uitleg te beperkt is en dat het afvoeren, opslaan en verwerken van het verontreinigd water onlosmakelijk is verbonden met het verwijderen van het water uit de sloot.

ECLI:NL:RVS:2014:102 (Chemie Pack Onroerend Goed B.V.)
ECLI:NL:RVS:2014:90 (Chemie Pack Nederland B.V.)









zondag 19 januari 2014

Bijzondere omstandigheid die aan gehele invordering in de weg staat

ABRvS, 15 januari 2014. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat verbeurde dwangsommen in beginsel moeten worden ingevorderd en dat alleen onder bijzondere omstandigheden van het bestuursorgaan kan worden gevergd dat het geheel of gedeeltelijk van invordering afziet. In deze uitspraak werd zo'n bijzondere omstandigheid aangenomen.


Het college van B en W van Deventer had de last onder dwangsom opgelegd om de in een woning aanwezige asbesthoudende materialen te saneren overeenkomstig een viertal voorschriften uit de Bouwverordening. Bij het niet naleven van de last zou een dwangsom van € 25.000,-- ineens verbeurd raken.


Eén van die voorschriften hield in dat de sanering moest worden uitgevoerd door een gecertificeerd bedrijf. Een ander voorschrift hield in dat het begin van de sanering minimaal een week van te voren schriftelijk moest worden gemeld aan het college.


De last werd uitgevoerd, behalve voor wat betreft de melding. De start van de saneringswerkzaamheden werd namelijk twee dagen in plaats van een week van te voren aangekondigd. Het college betoogde dat daardoor de last niet volledig was uitgevoerd en dus de dwangsom van € 25.000,-- was verbeurd. Het college ging over tot de volledige invordering van de verbeurde dwangsom. De overtreder verzette zich tegen deze invordering. De voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad oordeelde dat het gelet op deze omstandigheden onredelijk was om de dwangsom volledig in te vorderen en oordeelde dat het college de dwangsom tot niet meer dan een bedrag van € 10.000,-- mocht invorderen. Het college stelde hoger beroep in.


De Afdeling oordeelde dat de dwangsom weliswaar was verbeurd en dat verbeurde dwangsommen in beginsel moeten worden ingevorderd, maar dat het college in dit geval niet tot volledige invordering had kunnen overgaan. De Afdeling overwoog dat het doel van de last was dat de sanering niet door de overtreder zelf, maar door een gecertificeerd bedrijf zou worden uitgevoerd en dat dit doel (ook tijdig) was bereikt. Vervolgens overweegt de Afdeling dat de last in dit geval in vier onderdelen kan worden verdeeld omdat de vier voorschriften waarnaar in de last onder dwangsom wordt verwezen betrekking hebben op verschillende gedragingen. De last is alleen niet tijdig uitgevoerd voor wat betreft het melden van de aanvang van de sloopwerkzaamheden. Nu dit slechts één ondergeschikt onderdeel van de last is en het doel van de last wel is bereikt, oordeelt de Afdeling dat de voorzieningenrechter terecht tot het oordeel is gekomen dat de dwangsom niet volledig mocht worden ingevorderd.


Het college verwees nog naar een uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2013, waarin de Afdeling had geoordeeld dat het feit dat deels aan de last was voldaan geen bijzondere omstandigheid opleverde op grond waarvan gedeeltelijk van invordering moest worden afgezien. De Afdeling overweegt dat in dat geval de last zag op de verwijdering van een dakopbouw en dat die last niet in onderdelen kon worden verdeeld.
ECLI:NL:RVS:2014:32



zondag 29 december 2013

Verjaring bevoegdheid tot invordering

ABRvS, 24 december 2013. Het college van B en W van Harderwijk had aan iemand die zonder vergunning een gebouw had opgericht de last onder dwangsom opgelegd om dit gebouw te verwijderen. De dwangsom was bepaald op een bedrag van € 50.000,-- ineens. Vast stond dat de last niet tijdig was uitgevoerd, zodat de dwangsom was verbeurd. Het college weigerde echter - om redenen die niet in de uitspraak worden genoemd - tot invordering over te gaan.

Degene die om invordering had verzocht maakte bezwaar tegen het besluit van het college om niet tot invordering over te gaan. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Tegen die beslissing stelde hij beroep in. De rechtbank verklaarde ruim een jaar na het verbeuren van de dwangsom het beroep ongegrond. Tegen die uitspraak stelde de belanghebbende hoger beroep in.

De Afdeling komt tot de conclusie dat de bevoegdheid tot invordering van de verbeurde dwangsom niet was gestuit of verlengd en daarom ten tijde van de uitspraak van de rechtbank al was verjaard. Bij gebrek aan belang bij een inhoudelijke beoordeling van de gronden, verklaart de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Voor de belanghebbende is dit wel een wrange uitspraak. De verjaring van de bevoegdheid tot invordering kan alleen worden gestuit of verlengd door een handeling van het bestuursorgaan. Als dat bestuursorgaan weigert om tot invordering over te gaan, zal het ook geen reden hebben om de verjaring van de bevoegdheid tot invordering te stuiten of te verlengen. Wat kan een belanghebbende dan doen?

De Afdeling heeft zich dit ook gerealiseerd en overweegt als volgt:
"De Afdeling overweegt dat in gevallen als de onderhavige, waarin vast staat en niet in geschil is dat een dwangsom is verbeurd en het college weigert in te vorderen, degene die in bezwaar en beroep opkomt tegen de weigering om tot invordering over te gaan het college in verband hiermee kan verzoeken de verjaringstermijn te stuiten of de verjaringstermijn te verlengen door uitstel van betaling te verlenen, en bij afwijzing van dit verzoek de bevoegde rechter kan verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen tot verlenging van de verjaringstermijn of om het college op te dragen de verjaringstermijn te stuiten."

Wat interessant is, is dat de Afdeling deze overweging alleen wijdt aan gevallen waarin vast staat en niet in geschil is dat een dwangsom is verbeurd. Dat roept de vraag op hoe het dan moet in gevallen waarin het bestuursorgaan van mening is dat geen dwangsom is verbeurd en een derdebelanghebbende dat standpunt juist wil aanvechten. Als het bestuursorgaan van mening is dat geen dwangsom is verbeurd, zal het al helemaal geen aanleiding hebben om tot stuiting of verlenging van de verjaring over te gaan. Hoe kan een derdebelanghebbende in dat geval voorkomen dat hangende de procedure de bevoegdheid tot invordering verjaart?
ECLI:NL:RVS:2013:2626 

Concreet zicht op legalisatie staat niet aan handhaving in de weg

ABRvS, 11 december 2013. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat het bevoegd gezag in beginsel gebruik moet maken van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom of bestuursdwang. "Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat". Aldus de Afdeling.

Uit de overweging dat een bijzondere omstandigheid zich kan voordoen als een concreet zicht op legalisering bestaat, volgt reeds dat bij het bestaan van een concreet zicht op legalisering niet altijd van het bevoegd gezag gevergd kan worden dat het van handhaving afziet. Dat wordt ook duidelijk uit de uitspraak van 11 december 2013.

GS van Drenthe constateerden dat binnen een inrichting afvalstoffen werden op- en overgeslagen, zonder dat hiervoor een vergunning was verleend. GS besloten over te gaan tot handhaving van artikel 2.1 lid 1 sub e Wabo door middel van het opleggen van een last onder dwangsom. De overtreder maakte hiertegen bezwaar. GS verklaarden dit bezwaar ongegrond.

De rechtbank vernietigde de beslissing op bezwaar omdat volgens haar uit de Gedoogstrategie van GS volgde dat GS bij de belangenafweging het (eventueel) bestaan van een concreet zicht op legalisatie totaal niet betrekken.

Volgens die Gedoogstrategie is in oprichtingssituaties de enkele omstandigheid dat een concreet zicht op legalisatie bestaat onvoldoende om van handhaving af te zien. Er moeten daarnaast nog andere zwaarwegende belangen zijn die gedogen rechtvaardigen. In wijzigingssituaties (wijziging van bestaande, reeds vergunde situaties) kan volgens de Gedoogstrategie concreet zicht op legalisatie grond zijn om te gedogen mits na indiening van een aanvraag om een wijzigingsvergunning gedurende twaalf weken niet op die aanvraag is beslist. Dat is namelijk de kortst mogelijke termijn waarbinnen op een aanvraag kan worden beslist.

GS willen met dit beleid voorkomen dat bedrijven al beginnen met de vergunningplichtige activiteit voordat de vergunning in werking is getreden of verleend. Vergunningplichtige activiteiten moeten vooraf getoetst worden om de nadelige gevolgen voor het milieu zo veel mogelijk te beperken, wat volgens het college te meer van belang is nu de vergunningplicht op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo alleen nog voor zware milieubelastende activiteiten geldt.

Naar het oordeel van de rechtbank gingen GS de grenzen van hun beleidsvrijheid te buiten met dit beleid.

GS konden zich niet vinden in de uitspraak van de rechtbank en stelden hoger beroep in. De Afdeling stelt GS in het gelijk en overweegt:
"Het in overweging 2 bedoelde en in overweging 4 nader toegelichte handhavingsbeleid dat het college bij overtredingen van wettelijke voorschriften op het terrein van het milieurecht voert, overschrijdt niet de grenzen van een redelijke beleidsbepaling, gelet op de in die overwegingen weergegeven motivering waarop dit beleid berust en in aanmerking genomen dat volgens dit beleid het college ook bij concreet zicht op legalisatie zowel in oprichtingssituaties als in wijzigingssituaties steeds beoordeelt of er andere zwaarwegende omstandigheden zijn die - al dan niet tezamen met het concrete zicht op legalisatie - meebrengen dat handhavend optreden zodanig onevenredig zou zijn dat daarvan geheel of gedeeltelijk moet worden afgezien."
ECLI:NL:RVS:2013:2314

 

zondag 8 december 2013

Herstelmaatregelen voldoende duidelijk

ABRvS, 4 december 2013. Het college van B en W van Bronckhorst had geconstateerd dat een recreatiewoning in strijd met het vigerende bestemmingsplan werd gebruikt als hoofdverblijf en had de last onder dwangsom opgelegd om deze overtreding te beëindigen. De overtreder voerde aan dat het besluit in strijd was met artikel 5:32a lid 1 Awb omdat de te nemen herstelmaatregelen onvoldoende duidelijk waren omschreven.

De Afdeling volgt de overtreder niet en overweegt dat in het besluit is aangegeven op grond van welke bevindingen de constatering van de overtreding is gebaseerd, zodat de overtreder ook weet welke omstandigheden van invloed zijn op het hebben van een hoofdverblijf en de beëindiging daarvan. De Afdeling verwijst daarbij naar haar uitspraak van 7 oktober 2009, waarin de Afdeling oordeelde dat de eisen van rechtszekerheid niet zover reiken dat op voorhand moet worden aangegeven onder welke omstandigheden er sprake is van het hebben van een hoofdverblijf elders.
ECLI:NL:RVS:2013:2240 

donderdag 7 november 2013

Toetsingskader bij toepassing bevoegdheid artikel 8:72 lid 3 Awb (in stand laten rechtsgevolgen)

ABRvS, 6 november 2013. Op grond van artikel 8:72 lid 3 Awb kan de rechter na vernietiging van het bestreden besluit de rechtsgevolgen van dat besluit in stand laten. De Afdeling oordeelde eerder dat de rechter bij toepassing van die bevoegdheid moest uitgaan van de feiten en omstandigheden ten tijde van de uitspraak. Die jurisprudentie heeft de Afdeling nu gewijzigd in zaken waarin het gaat om de vraag of het bestuursorgaan al dan niet terecht handhavend heeft opgetreden of heeft geweigerd dat te doen. De Afdeling is van oordeel dat in dat soort gevallen het rechtszekerheidsbeginsel vergt dat bij toepassing van de bevoegdheid van artikel 8:72 lid 3 Awb wordt uitgegaan van het tijdstip waarop het bestreden besluit is genomen.

Ik citeer uit de uitspraak van de Afdeling:
"Weliswaar is in onder meer de uitspraak van 13 oktober 2010 overwogen dat de rechter bij de aanwending van de bevoegdheid tot het in stand laten van de rechtsgevolgen dient uit te gaan van de feiten en omstandigheden op het moment van de uitspraak en het dan geldende recht. Dit is echter anders indien het gaat om zaken waarbij de vraag aan de orde is of het college al dan niet terecht is overgegaan tot handhavend optreden of heeft geweigerd dat te doen. Bij de beoordeling van die besluiten dient te worden onderzocht of de gesanctioneerde gedraging ten tijde van het besluit waarbij tot handhavend optreden is overgegaan of is geweigerd daartoe over te gaan had plaatsgevonden en toen verboden was. Indien hierover anders zou worden geoordeeld, zou dit in strijd met de rechtszekerheid tot gevolg kunnen hebben dat een bestuursorgaan handhavend kan optreden tegen een bouwwerk dat vergunningsvrij kon worden opgericht, terwijl dat door veranderde wetgeving niet langer mogelijk is."
ECLI:NL:RVS:2013:1789 

Wanneer verbeurt een dwangsom per tijdseenheid (3)?

ABRvS, 6 november 2013. Wanneer verbeurt een dwangsom per tijdseenheid? Stel dat de last wordt opgelegd om vóór 1 december a.s. een einde aan de overtreding te maken op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per week dat de last niet wordt uitgevoerd. Verbeurt de eerste dwangsom dan op 1 december a.s. of op 8 december a.s.?

Op 8 juli 2011 oordeelde de Hoge Raad dat de dwangsom pas aan het einde van de tijdseenheid verbeurt, dus op 8 december a.s. in het voorbeeld. Op 12 december 2012 deed de Afdeling een uitspraak, waaruit werd afgeleid dat de Afdeling dezelfde mening was toegedaan. In haar uitspraak van 6 november jl. oordeelt de Afdeling zeer expliciet dat een dwangsom per tijdseenheid pas verbeurd raakt na het verstrijken van de tijdseenheid. Ik citeer:
"Nu artikel 5:32b, eerste lid, van de Awb spreekt van een tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd en de in dit geval gekozen tijdseenheid van een week niet geheel was verstreken alvorens een nieuwe termijn werd gegeven, zijn geen dwangsommen verbeurd. Van dezelfde wetsuitleg getuigt het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2011 in zaak nr. 10/00525 (ECLI:NL:HR:2011:BQ5076)."
In deze zaak had het bestuursorgaan een last opgelegd op straffe van verbeurte van een dwangsom per week. Op de zevende dag van die week gaf het bestuursorgaan de overtreder een nieuwe begunstigingstermijn. Degene die om handhaving had verzocht wees erop dat na het verstrijken van de begunstigingstermijn de begunstigingstermijn niet kan worden verlengd, zodat toch een dwangsom was verbeurd. De Afdeling oordeelt dat het juist is dat de begunstigingstermijn niet is verlengd, maar dat de nieuwe begunstigingstermijn is vastgesteld op de laatste dag van de week, zodat de tijdseenheid nog niet volledig verstreken was en er dus nog geen dwangsom was verbeurd op het moment dat een nieuwe begunstigingstermijn werd gegeven.
ECLI:NL:RVS:2013:1829