ABRvS, 22 juli 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2333
Invorderingsbesluit verbeurde dwangsommen. Geringe draagkracht van de overtreder is in beginsel geen reden om van invordering van de verbeurde dwangsommen af te zien.
LEES MEER
Dit is een blog van Jaap IJdema van Adriaanse van der Weel Advocaten over uitspraken op het gebied van herstelsanctiebesluiten.
donderdag 23 juli 2015
donderdag 25 juni 2015
Gegronde vrees voor herhaling; koerswijziging of vergissing?
ABRvS, 24 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1955
Last onder dwangsom ter voorkoming herhaling overtreding. Afdeling oordeelt dat het bestuursorgaan mocht weigeren een dergelijk last op te leggen, nu er geen gegronde vrees voor herhaling was. Dat is in afwijking van de geldende jurisprudentie. Is er sprake van een koerswijziging of een vergissing?
LEES MEER
Last onder dwangsom ter voorkoming herhaling overtreding. Afdeling oordeelt dat het bestuursorgaan mocht weigeren een dergelijk last op te leggen, nu er geen gegronde vrees voor herhaling was. Dat is in afwijking van de geldende jurisprudentie. Is er sprake van een koerswijziging of een vergissing?
LEES MEER
donderdag 4 juni 2015
Rechtbank Gelderland komt terug op uitspraak over verjaring invorderingsbevoegdheid
Rechtbank Gelderland, 26 mei 2015; ECLI:NL:RBGEL:2015:3301
Rechtbank Gelderland komt terug op eerdere uitspraak. Bestuursrechter is wel degelijk bevoegd om (ambtshalve) te beoordelen of na het nemen van het besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom de bevoegdheid tot invordering is verjaard.
LEES MEER
Rechtbank Gelderland komt terug op eerdere uitspraak. Bestuursrechter is wel degelijk bevoegd om (ambtshalve) te beoordelen of na het nemen van het besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom de bevoegdheid tot invordering is verjaard.
LEES MEER
donderdag 28 mei 2015
Schijnhandhaving blootgelegd
ABRvS, 27 mei 2015; ECLI:NL:RVS:2015:1663
Verzoek tot handhaving. Bestuursorgaan zegt te zullen handhaven, maar doet dat eigenlijk niet. De Afdeling wijst het bestuursorgaan terecht.
LEES MEER
Verzoek tot handhaving. Bestuursorgaan zegt te zullen handhaven, maar doet dat eigenlijk niet. De Afdeling wijst het bestuursorgaan terecht.
LEES MEER
donderdag 7 mei 2015
Hoe deskundig moet de toezichthouder zijn?
ABRvS, 7 mei 2015. Het college van GS van Zuid-Holland had een last onder dwangsom opgelegd aan Abengoa wegens overtreding van voorschrift 1.4. Dat voorschrift houdt in dat Abengoa binnen 36 maanden ervoor moet zorgen dat op geurgevoelige locaties geen geur afkomstig van Abengoa waargenomen kan worden en dat tot die tijd geen geuroverlast van de inrichting waargenomen mag worden.
In de vergunning was geurwaarneming omschreven als het tenminste eenmaal waarnemen van de geur en het herkennen van de geur als afkomstig van de inrichting en niet van andere bronnen uit de omgeving. De omschrijving van geuroverlast hield o.a. in dat de geur wordt beoordeeld als negatief en de geur daarbij als zwaar, eventueel als prikkelend of verstorend omschreven.
De last hield in dat voldaan moest worden aan voorschrift 1.4. De dwangsom was bepaald op een bedrag van € 10.000,-- voor iedere keer dat voorschrift 1.4 werd overtreden met een maximum van € 100.000,--. Twee toezichthouders namen verschillende malen geuroverlast waar. Het college van GS ging vervolgens over tot de invordering van de verbeurde dwangsommen.
Abengoa betoogde in beroep tegen het invorderingsbesluit met succes dat de toezichthouders niet deskundig genoeg waren om geuroverlast vast te stellen en dat de waarnemingen niet voldeden aan de eisen die de Afdeling daaraan stelt. Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Ontvankelijkheid
Abengoa betoogde allereerst dat het college geen belang had bij het hoger beroep omdat de bevoegdheid tot invordering van de verbeurde dwangsommen inmiddels zou zijn verjaard. De Afdeling oordeelt dat de verjaring van de bevoegdheid tot invordering niet betekent dat het college geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De Afdeling oordeelt dat het college wel degelijk een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep omdat van de vernietiging een precedentwerking uitgaat.
De deskundigheid van de toezichthouders
De rechtbank had het beroep van Abengoa gegrond verklaard omdat een aantal toezichthouders ten tijde van de waarneming niet beschikte over een geldig Olfacto-certificaat.
De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 13 juni 2012, waarin de Afdeling oordeelde dat aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten ten grondslag moet liggen.Dit brengt onder meer met zich dat de waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, aldus de Afdeling.
De Afdeling overweegt dat deelnemers aan een geurtest op de dag van de test moeten beschikken over een geldig Olfacto-certificaat om te kunnen vaststellen dat zij beschikken over een gemiddelde neus. Zo'n geurtest is bedoeld om de kwantitatieve geureenheden te kunnen bepalen. De Afdeling oordeelt dat niet bepalend is of de toezichthouders over een gemiddelde neus beschikken, maar of zij over voldoende reukvermogen beschikken. De vaardigheid om een geur te herkennen wordt volgens de Afdeling, die zich daarbij baseert op een advies van de StAB, verkregen door opleiding, regelmatige training en ervaring.
De Afdeling verklaart het hoger beroep dan ook gegrond.
Vaststelling van de waarnemingen
Onder verwijzing naar de eerder aangehaalde uitspraak van 13 juni 2012 beklaagde Abengoa zich er o.a. over dat de waarnemingsrapporten ten onrechte niet door de toezichthouders waren ondertekend. Het college voerde aan dat de rapporten niet waren ondertekend omdat ze digitaal waren opgemaakt. Het college had een verklaring van de toezichthouders overgelegd, waarin zij verklaarden dat zij op de datum en het tijdstip genoemd in de rapporten hun waarnemingen hadden gedaan. De Afdeling oordeelt dat daarmee voldoende vaststaat dat en wanneer de waarnemingen zijn gedaan. Het feit dat de rapporten niet zijn ondertekend, doet daar in dit geval niet aan af.
Beoordeling beroep
Nu de Afdeling de uitspraak van de rechtbank vernietigt, doet zij ook uitspraak op het beroep van Abengoa. In dat kader stelt de Afdeling vast dat er twee aanmaningen zijn uitgebracht en dat sinds de tweede aanmaning inmiddels meer dan een jaar is verstreken, zonder dat de verjaring (opnieuw) is gestuit en verlengd. Dat brengt de Afdeling tot het oordeel dat de bevoegdheid is verjaard en dat dus Abengoa geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
Wat opvalt is dat de Afdeling rept over twee aanmaningen en kennelijk ervan uitgaat dat de tweede aanmaning ook stuitende werking heeft gehad. Dat valt op omdat artikel 4:106 Awb bepaalt dat de verjaring wordt gestuit door een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb. Naar mijn mening is alleen de eerste aanmaning een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb. Iedere volgende aanmaning heeft m.i. dus geen stuitende werking.
Als de uitspraak inderdaad zo uitgelegd moet worden dat de Afdeling van oordeel is dat ook een tweede aanmaning stuitende werking heeft, dan zou dat goed nieuws zijn voor bestuursorganen. De mogelijkheden voor bestuursorganen om de verjaring van de invorderingsbevoegdheid te stuiten zijn namelijk vrij beperkt, sinds de wetgever bewust heeft besloten in de vierde tranche het bestuursorgaan niet de mogelijkheid te geven de verjaring te stuiten door het versturen van een schriftelijke mededeling.
ECLI:NL:RVS:2015:1412
In de vergunning was geurwaarneming omschreven als het tenminste eenmaal waarnemen van de geur en het herkennen van de geur als afkomstig van de inrichting en niet van andere bronnen uit de omgeving. De omschrijving van geuroverlast hield o.a. in dat de geur wordt beoordeeld als negatief en de geur daarbij als zwaar, eventueel als prikkelend of verstorend omschreven.
De last hield in dat voldaan moest worden aan voorschrift 1.4. De dwangsom was bepaald op een bedrag van € 10.000,-- voor iedere keer dat voorschrift 1.4 werd overtreden met een maximum van € 100.000,--. Twee toezichthouders namen verschillende malen geuroverlast waar. Het college van GS ging vervolgens over tot de invordering van de verbeurde dwangsommen.
Abengoa betoogde in beroep tegen het invorderingsbesluit met succes dat de toezichthouders niet deskundig genoeg waren om geuroverlast vast te stellen en dat de waarnemingen niet voldeden aan de eisen die de Afdeling daaraan stelt. Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Ontvankelijkheid
Abengoa betoogde allereerst dat het college geen belang had bij het hoger beroep omdat de bevoegdheid tot invordering van de verbeurde dwangsommen inmiddels zou zijn verjaard. De Afdeling oordeelt dat de verjaring van de bevoegdheid tot invordering niet betekent dat het college geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De Afdeling oordeelt dat het college wel degelijk een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep omdat van de vernietiging een precedentwerking uitgaat.
De deskundigheid van de toezichthouders
De rechtbank had het beroep van Abengoa gegrond verklaard omdat een aantal toezichthouders ten tijde van de waarneming niet beschikte over een geldig Olfacto-certificaat.
De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 13 juni 2012, waarin de Afdeling oordeelde dat aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten ten grondslag moet liggen.Dit brengt onder meer met zich dat de waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, aldus de Afdeling.
De Afdeling overweegt dat deelnemers aan een geurtest op de dag van de test moeten beschikken over een geldig Olfacto-certificaat om te kunnen vaststellen dat zij beschikken over een gemiddelde neus. Zo'n geurtest is bedoeld om de kwantitatieve geureenheden te kunnen bepalen. De Afdeling oordeelt dat niet bepalend is of de toezichthouders over een gemiddelde neus beschikken, maar of zij over voldoende reukvermogen beschikken. De vaardigheid om een geur te herkennen wordt volgens de Afdeling, die zich daarbij baseert op een advies van de StAB, verkregen door opleiding, regelmatige training en ervaring.
De Afdeling verklaart het hoger beroep dan ook gegrond.
Vaststelling van de waarnemingen
Onder verwijzing naar de eerder aangehaalde uitspraak van 13 juni 2012 beklaagde Abengoa zich er o.a. over dat de waarnemingsrapporten ten onrechte niet door de toezichthouders waren ondertekend. Het college voerde aan dat de rapporten niet waren ondertekend omdat ze digitaal waren opgemaakt. Het college had een verklaring van de toezichthouders overgelegd, waarin zij verklaarden dat zij op de datum en het tijdstip genoemd in de rapporten hun waarnemingen hadden gedaan. De Afdeling oordeelt dat daarmee voldoende vaststaat dat en wanneer de waarnemingen zijn gedaan. Het feit dat de rapporten niet zijn ondertekend, doet daar in dit geval niet aan af.
Beoordeling beroep
Nu de Afdeling de uitspraak van de rechtbank vernietigt, doet zij ook uitspraak op het beroep van Abengoa. In dat kader stelt de Afdeling vast dat er twee aanmaningen zijn uitgebracht en dat sinds de tweede aanmaning inmiddels meer dan een jaar is verstreken, zonder dat de verjaring (opnieuw) is gestuit en verlengd. Dat brengt de Afdeling tot het oordeel dat de bevoegdheid is verjaard en dat dus Abengoa geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
Wat opvalt is dat de Afdeling rept over twee aanmaningen en kennelijk ervan uitgaat dat de tweede aanmaning ook stuitende werking heeft gehad. Dat valt op omdat artikel 4:106 Awb bepaalt dat de verjaring wordt gestuit door een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb. Naar mijn mening is alleen de eerste aanmaning een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb. Iedere volgende aanmaning heeft m.i. dus geen stuitende werking.
Als de uitspraak inderdaad zo uitgelegd moet worden dat de Afdeling van oordeel is dat ook een tweede aanmaning stuitende werking heeft, dan zou dat goed nieuws zijn voor bestuursorganen. De mogelijkheden voor bestuursorganen om de verjaring van de invorderingsbevoegdheid te stuiten zijn namelijk vrij beperkt, sinds de wetgever bewust heeft besloten in de vierde tranche het bestuursorgaan niet de mogelijkheid te geven de verjaring te stuiten door het versturen van een schriftelijke mededeling.
ECLI:NL:RVS:2015:1412
woensdag 8 april 2015
Invorderingsbeschikking heeft ook volgens de Hoge Raad geen stuitende werking.
HR, 2 april 2015. Sinds de invoering van de vierde tranche is het aan de bestuursrechter om te oordelen over de invordering van verbeurde dwangsommen en kosten van bestuursdwang. Dat betekent niet dat de civiele rechter volledig buiten spel staat. De civiele rechter blijft bevoegd in procedures over de executie van een dwangbevel tot invordering van verbeurde dwangsommen. Dat verklaart waarom ook de Hoge Raad zich recent heeft uitgelaten over o.a. de vraag of een invorderingsbeschikking stuitende werking heeft.
De feiten
Het college van B en W van de gemeente Simpelveld vaardigde een dwangbevel uit tot invordering van verbeurde dwangsommen. De overtreder betoogde dat de bevoegdheid tot invordering inmiddels was verjaard en vorderde op de voet van artikel 438 Rv. in kort geding bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg dat het de gemeente verboden zou worden tot executie van het dwangbevel over te gaan. De voorzieningenrechter wees de vordering af, waarna de overtreder hoger beroep instelde. Het Gerechtshof stelde de overtreder in het gelijk. De gemeente stelde tegen het arrest van het Gerechtshof cassatie in.
Het arrest
De Hoge Raad wijst, conform de conclusie van de A-G, het cassatieberoep af en bekrachtigt het arrest. Het arrest laat zich het beste als volgt samenvatten:
In de artikelen 4:105 en 4:106 Awb worden de volgende stuitingsmogelijkheden genoemd:
In de praktijk blijken deze mogelijkheden beperkt. Wat vooral een beperking blijkt is het feit dat het bestuursorgaan sinds de invoering van de vierde tranche van de Awb de verjaring niet meer kan stuiten door middel van een schriftelijke mededeling waarin het zich het recht op nakoming ondubbelzinnig voorbehoudt. Dat kan onder het civiele recht wel.
Uit artikel 4:124 Awb volgt dat bestuursrechtelijke geldschulden ook langs civielrechtelijke weg kunnen worden ingevorderd. De Hoge Raad heeft dat recent, bij arrest van 6 februari 2015, bevestigd. De vraag rijst of het bestuursorgaan, als het zou kiezen voor invordering langs de civiele weg, de verjaring ook zou kunnen stuiten door middel van een schriftelijke mededeling als hiervoor bedoeld. In een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 maart 2015 deed de vraag zich voor of een keuze voor de civiele weg betekent dat de civiele regels over verjaring gelden. De rechtbank kwam niet toe aan beantwoording van die vraag omdat het bestuursorgaan volgens de rechtbank juist had gekozen voor de bestuursrechtelijke weg.
Ad 2.
Hiermee sluit de Hoge Raad aan bij de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2013.
Ad 3.
Artikel 4:106 Awb bepaalt dat de verjaring kan worden gestuit door het versturen van een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb. Uit de systematiek van de wet volgt dat die aanmaning pas kan worden verstuurd nadat een beschikking omtrent de invordering is genomen. Naar mijn mening volgt uit artikel 4:106 Awb ook dat alleen de eerste aanmaning stuitende werking heeft en dat aan volgende aanmaningen geen stuitende werking toekomt omdat deze aanmaningen niet als aanmaningen als bedoeld in artikel 4:112 Awb kunnen worden aangemerkt.
Ad 4.
De overtreder had niet bestreden dat de dwangsommen waren verbeurd. De gemeente betoogde dat hieruit een stilzwijgende erkenning van het recht op betaling volgde, waardoor de verjaring was gestuit. De HR oordeelde dat de overtreder bestreed dat het college tot invordering kon overgaan, zodat van een erkenning van het recht op betaling geen sprake was.
ECLI:NL:HR:2015:817
De feiten
Het college van B en W van de gemeente Simpelveld vaardigde een dwangbevel uit tot invordering van verbeurde dwangsommen. De overtreder betoogde dat de bevoegdheid tot invordering inmiddels was verjaard en vorderde op de voet van artikel 438 Rv. in kort geding bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg dat het de gemeente verboden zou worden tot executie van het dwangbevel over te gaan. De voorzieningenrechter wees de vordering af, waarna de overtreder hoger beroep instelde. Het Gerechtshof stelde de overtreder in het gelijk. De gemeente stelde tegen het arrest van het Gerechtshof cassatie in.
Het arrest
De Hoge Raad wijst, conform de conclusie van de A-G, het cassatieberoep af en bekrachtigt het arrest. Het arrest laat zich het beste als volgt samenvatten:
- De mogelijkheden om de verjaring van de bevoegdheid tot invordering van bestuursrechtelijke geldschulden te regelen zijn uitputtend geregeld in de artikelen 4:105 en 4:106 Awb. Dat betekent dat de verjaring niet kan worden gestuit op een andere manier dan genoemd in de artikelen 4:105 en 4:106 Awb;
- Het versturen van een invorderingsbeschikking wordt niet genoemd in de artikelen 4:105 en 4:106 Awb en heeft dus geen stuitende werking;
- Volgens het systeem van de wet kan een aanmaning pas worden verstuurd nadat een beschikking omtrent invordering is genomen. Daaruit volgt dat een aanmaning die wordt verstuurd voordat een beschikking omtrent invordering is genomen geen stuitende werking heeft;
- Een erkenning van het feit dat de dwangsommen zijn verbeurd, heeft geen stuitende werking als de overtreder bestrijdt dat het bestuursorgaan tot invordering kan overgaan.
In de artikelen 4:105 en 4:106 Awb worden de volgende stuitingsmogelijkheden genoemd:
- een daad van rechtsvervolging overeenkomstig artikel 3:316 lid 1 BW;
- erkenning van het recht op betaling;
- een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb;
- een beschikking tot verrekening;
- een dwangbevel en;
- een daad van tenuitvoerlegging van het dwangbevel.
Uit artikel 4:124 Awb volgt dat bestuursrechtelijke geldschulden ook langs civielrechtelijke weg kunnen worden ingevorderd. De Hoge Raad heeft dat recent, bij arrest van 6 februari 2015, bevestigd. De vraag rijst of het bestuursorgaan, als het zou kiezen voor invordering langs de civiele weg, de verjaring ook zou kunnen stuiten door middel van een schriftelijke mededeling als hiervoor bedoeld. In een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 maart 2015 deed de vraag zich voor of een keuze voor de civiele weg betekent dat de civiele regels over verjaring gelden. De rechtbank kwam niet toe aan beantwoording van die vraag omdat het bestuursorgaan volgens de rechtbank juist had gekozen voor de bestuursrechtelijke weg.
Ad 2.
Hiermee sluit de Hoge Raad aan bij de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2013.
Ad 3.
Artikel 4:106 Awb bepaalt dat de verjaring kan worden gestuit door het versturen van een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb. Uit de systematiek van de wet volgt dat die aanmaning pas kan worden verstuurd nadat een beschikking omtrent de invordering is genomen. Naar mijn mening volgt uit artikel 4:106 Awb ook dat alleen de eerste aanmaning stuitende werking heeft en dat aan volgende aanmaningen geen stuitende werking toekomt omdat deze aanmaningen niet als aanmaningen als bedoeld in artikel 4:112 Awb kunnen worden aangemerkt.
Ad 4.
De overtreder had niet bestreden dat de dwangsommen waren verbeurd. De gemeente betoogde dat hieruit een stilzwijgende erkenning van het recht op betaling volgde, waardoor de verjaring was gestuit. De HR oordeelde dat de overtreder bestreed dat het college tot invordering kon overgaan, zodat van een erkenning van het recht op betaling geen sprake was.
ECLI:NL:HR:2015:817
maandag 30 maart 2015
Spoedeisend belang bij schorsing last onder dwangsom
CBB, 9 februari 2015. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft op 18 november 2014 varkensstallen gecontroleerd. Daarbij werd geconstateerd dat de gezondheid en het welzijn van de dieren is benadeeld en aan de dieren de nodige verzorging is onthouden. Er werd vervolgens op 21 november 2014 een last onder dwangsom opgelegd wegens overtredingen van de Wet dieren en het besluit houders van dieren. Die last hield in dat één verzorgings- en huisvestingsmaatregel direct en zes maatregelen vóór 26 november 2015 genomen moeten worden. De dwangsom werd bepaald op € 10.000,-- per controle per overtreding, tot een maximum van € 210.000,--.
Tegen dit besluit maakte de varkenshouder bezwaar. Hij diende bij de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBB) ook een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in. De voorzieningenrechter overweegt het volgende over de vraag of de
verzoeker een spoedeisend belang heeft:
"De voorzieningenrechter stelt voorop dat het risico van verbeurte van dwangsommen voor verzoekers een financieel belang vertegenwoordigt. Een zodanig belang zal in de regel op zichzelf onvoldoende reden vormen een voorlopige voorziening te treffen. Het staat verzoekers immers vrij financiële compensatie van het bestuursorgaan te vorderen indien de dwangsombesluiten achteraf onrechtmatig zouden blijken te zijn. Het treffen van een voorlopige voorziening zal echter niettemin in beeld kunnen komen in het geval de financiële gevolgen, gelet op bijvoorbeeld de activiteiten en/of de vermogenspositie van de verzoeker, ernstiger zijn, en bovendien eerder naarmate die ernst toeneemt."
De voorzieningenrechter overweegt dat in dit geval op het eerste gezicht niet blijkt van zeer ernstige financiële gevolgen, maar dat ook niet duidelijk is dat de financiële gevolgen zodanig gering zijn dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Om die reden geeft hij toch een inhoudelijke beoordeling. verzoeker een spoedeisend belang heeft:
"De voorzieningenrechter stelt voorop dat het risico van verbeurte van dwangsommen voor verzoekers een financieel belang vertegenwoordigt. Een zodanig belang zal in de regel op zichzelf onvoldoende reden vormen een voorlopige voorziening te treffen. Het staat verzoekers immers vrij financiële compensatie van het bestuursorgaan te vorderen indien de dwangsombesluiten achteraf onrechtmatig zouden blijken te zijn. Het treffen van een voorlopige voorziening zal echter niettemin in beeld kunnen komen in het geval de financiële gevolgen, gelet op bijvoorbeeld de activiteiten en/of de vermogenspositie van de verzoeker, ernstiger zijn, en bovendien eerder naarmate die ernst toeneemt."
In een andere uitspraak van een week later (ECLI:NL:CBB:2015:38) lijkt er nog een andere uitzondering te worden aangenomen op de regel dat een overtreder in beginsel geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening tegen een last onder dwangsom. In die zaak was de last onder dwangsom opgelegd om alsnog een transponder (een identificatiechip) in te brengen in de hals van een paard. De overtreder voerde aan dat hij gewetensbezwaren had tegen het inbrengen van een chip in de hals van een paard. De voorzieningenrechter overweegt dat afwijzing van het verzoek betekent dat aan de last moet worden voldaan en dat de gevolgen daarvan onomkeerbaar zijn. Om die reden wordt toch een spoedeisend belang aangenomen.
De lijn van de voorzieningenrechter van het CBB kan op grond van deze twee uitspraken als volgt worden samengevat:
- het belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is in beginsel een financieel belang;
- een financieel belang is onvoldoende reden om een voorlopige voorziening te treffen, tenzij de financiële gevolgen van het voldoen aan een last onder dwangsom zodanig ernstig zijn dat een spoedeisend belang moet worden aangenomen;
- als afwijzing van het verzoek leidt tot onomkeerbare gevolgen, kan ook een spoedeisend belang worden aangenomen.
Hoe oordeelt de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in dergelijke gevallen?
In een uitspraak van 30 september 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN9531) overweegt de voorzitter de overtreder, gelet op de aanzienlijke financiële consequenties van de last, een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Dat is echter één van de spaarzame uitspraken waarin de voorzieningenrechter zich op die manier uitlaat over de vraag of sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft zich nog nooit zo duidelijk uitgelaten als de voorzieningenrechter van het CBB heeft gedaan in zijn uitspraak van 9 februari 2015 en de ervaring is dat de voorzieningenrechter van de Afdeling in het algemeen aanmerkelijk minder kritisch is op het spoedeisend belang. ECLI:NL:CBB:2015:39
Abonneren op:
Posts (Atom)

