Rechtbank Roermond, 18 april 2011. Eerder heb ik op mijn blog al eens aandacht besteed aan de vraag of het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan handhavend optreden. De rechtbank Roermond heeft nu een uitspraak gedaan, waarin zij op basis van twee uitspraken van de Afdeling een helder inzicht geeft in deze materie.
In de betreffende zaak was een verzoek tot handhaving van het bestemmingsplan ingediend omdat een bedrijfsruimte in strijd met het bestemmingsplan werd gebruikt als woning. Vast stond dat er sprake was van een overtreding van het bestemmingsplan (gebruik van bedrijfsruimte als woning) en dat er geen concreet zicht op legalisatie was. Het bestuursorgaan had echter het illegale gebruik in 1996 bij beschikking gedoogd. Volgens het bestuursorgaan kon het daarom niet handhavend optreden.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling:
- het enkele feit dat er een gedoogbesluit is niet per definitie aan handhaving in de weg staat;
- opgewekt vertrouwen geen afbreuk kan doen aan een in beginsel bestaande aanspraak van een derdebelanghebbende tot handhaving;
- het gebruik van een bedrijfsruimte/bedrijfwoning als burgerwoning geen overtreding van geringe aard en ernst is.
De rechtbank overweegt dat het bestuursorgaan daarom toch tot handhaving had moeten overgaan, waarbij de rechtbank nog opmerkt dat de omstandigheden sinds 1996 ook aanzienlijk zijn gewijzigd.
In dit geval dient het bestuursorgaan dus over te gaan tot handhaving. Dat betekent dat opgewekt vertrouwen wordt beschaamd. Het is ook vaste jurisprudentie van de Afdeling dat het beschamen van opgewekt vertrouwen in dergelijke situaties kan leiden tot een verplichting tot compensatie van de overtreder.
LJN: BQ2828
Dit is een blog van Jaap IJdema van Adriaanse van der Weel Advocaten over uitspraken op het gebied van herstelsanctiebesluiten.
zaterdag 30 april 2011
Vordering Chemie-Pack tot opheffing beslag afgewezen
Vz. rechtbank Breda, 27 april 2011. De casus is inmiddels alom bekend. Bij het blussen van de brand bij Chemie-Pack is bluswater in de sloten terechtgekomen. Het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta heeft spoedshalve bestuursdwang toegepast en deze lozing op kosten van Chemie-Pack ongedaan gemaakt. Tot zekerstelling van zijn verhaalsrechten heeft het waterschap conservatoir beslag gelegd onder de verzekeraar van Chemie-Pack op de verzekeringspenningen.
Bij uitspraak van 21 april 2011 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda het door Chemie-Pack ingediende verzoek voorlopige voorziening tegen het besluit tot toepassing bestuursdwang afgewezen. Aan die uitspraak heb ik op mijn blog al uitgebreid aandacht aan besteed.
Chemie-Pack had ook een vordering tot opheffing van het beslag ingesteld. Deze vordering was onder meer gebaseerd op de stelling dat het besluit tot toepassing bestuursdwang ondeugdelijk was. Dat roept de vraag op in hoeverre de civiele voorzieningenrechter zich in een dergelijke procedure kan uitlaten over de rechtsgeldigheid van een bestuursrechtelijk besluit.
De (civiele) voorzieningenrechter overweegt dat het vaste jurisprudentie is dat, als tegen een besluit een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstond, de civiele rechter moet uitgaan van de geldigheid van het besluit zolang dat nog niet is vernietigd. De voorzieningenrechter overweegt dat hij moet uitgaan van de uitspraak van zijn collega en dat hij geen inhoudelijk oordeel kan geven omdat dat leidt tot een onaanvaarbare doorkruising van de door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten en bevoegdheidsverdeling.
LJN: BQ2774
NB: het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 8 juni 2011 (LJN: BQ7541) dit vonnis gedeeltelijk vernietigd en het beslag gedeeltelijk opgeheven.
Bij uitspraak van 21 april 2011 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda het door Chemie-Pack ingediende verzoek voorlopige voorziening tegen het besluit tot toepassing bestuursdwang afgewezen. Aan die uitspraak heb ik op mijn blog al uitgebreid aandacht aan besteed.
Chemie-Pack had ook een vordering tot opheffing van het beslag ingesteld. Deze vordering was onder meer gebaseerd op de stelling dat het besluit tot toepassing bestuursdwang ondeugdelijk was. Dat roept de vraag op in hoeverre de civiele voorzieningenrechter zich in een dergelijke procedure kan uitlaten over de rechtsgeldigheid van een bestuursrechtelijk besluit.
De (civiele) voorzieningenrechter overweegt dat het vaste jurisprudentie is dat, als tegen een besluit een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstond, de civiele rechter moet uitgaan van de geldigheid van het besluit zolang dat nog niet is vernietigd. De voorzieningenrechter overweegt dat hij moet uitgaan van de uitspraak van zijn collega en dat hij geen inhoudelijk oordeel kan geven omdat dat leidt tot een onaanvaarbare doorkruising van de door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten en bevoegdheidsverdeling.
LJN: BQ2774
NB: het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 8 juni 2011 (LJN: BQ7541) dit vonnis gedeeltelijk vernietigd en het beslag gedeeltelijk opgeheven.
woensdag 27 april 2011
Beroep op rechtszekerheidsbeginsel afgewezen
ABRvS, 27 april 2011. De Afdeling heeft eerder (LJN: BL7766) uitgemaakt dat het rechtszekerheidsbeginsel zich verzet tegen handhaving van artikel 40 lid 1 sub b Woningwet als de eigenaar voor 1 april 2007 eigenaar is geworden en er ten tijde van de verkrijging geen aanwijzingen waren dat zonder of in afwijking van de bouwvergunning is gebouwd. De uitspraak van 27 april 2011 is een van de eerste uitspraken waarin een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel in een dergelijke situatie niet slaagt. De Afdeling overweegt dat er aanwijzingen waren dat gebouwd was zonder of in afwijking van de bouwvergunning omdat in de verkoopbrochure was vermeld dat de dakkapel was uitgevoerd zonder toestemming van de gemeente.
LJN: BQ2696
LJN: BQ2696
vrijdag 22 april 2011
Verzoek voorlopige voorziening Chemie-Pack afgewezen
Vz. rechtbank Breda, 21 april 2011. In de kwestie Chemie-Pack is de eerste bestuursrechtelijke uitspraak gedaan door de voorzienngenrechter van de rechtbank Breda.
Eén van de meest interessante vragen die de voorzieningenrechter beantwoordt is in hoeverre een overtreder belang heeft bij het laten treffen van een voorlopige voorziening tegen een beschikking toepassing bestuursdwang zonder voorafgaande lastgeving als de bestuursdwang al is uitgevoerd.
Inleiding
Nadat de brand bij Chemie-Pack was uitgebroken is de brandweer gaan blussen. Het bluswater stroomde vervolgens in de sloot, waardoor artikel 6.2 van de Waterwet werd overtreden. Het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta is bevoegd gezag en besloot onmiddellijk bestuursdwang toe te passen en de sloot schoon te maken op kosten van Chemie-Pack. Tevens liet het waterschap conservatoire beslagen leggen ten laste van Chemie-Pack tot zekerstelling van haar verhaalsmogelijkheden.
Chemie-Pack maakte bezwaar tegen deze beschikking en diende ruim drie maanden na de verzending van het besluit een verzoek voorlopige voorziening in. Zij verzocht de voorzieningenrechter om het besluit te schorsen en de conservatoire beslagen op te heffen c.q. het dagelijks bestuur te verplichten tot het laten opheffen van de beslagen.
Het verzoek tot opheffing van de conservatoire beslagen
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot opheffing van de conservatoire beslagen omdat het besluit tot het leggen van de conservatoire beslagen geen besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb is. Ook verklaart de voorzieningenrechter zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om het dagelijks bestuur te verplichten de conservatoire beslagen op te laten heffen. Een besluit tot opheffing van de beslagen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling en op grond van artikel 8:3 Awb niet appellabel.
Het verzoek tot schorsing van het besluit
Het dagelijks bestuur had betoogd, zo leid ik af uit de uitspraak, dat het verzoek reeds diende te worden afgewezen bij gebreke van een spoedeisend belang. De redenering staat niet in de uitspraak, maar ze zal geweest zijn dat schorsing van het besluit geen doel kan dienen omdat reeds bestuursdwang is toegepast.
De voorzieningenrechter passeert dit verweer. Hij overweegt dat schorsing van het besluit een belemmering kan vormen voor het nemen van een kostenbeschikking en dat dat weer een rol kan spelen bij het verzoek tot opheffing van de conservatoire beslagen.
De voorzieningenrechter nuanceert vervolgens de spoedeisendheid van het belang van Chemie-Pack omdat:
1. een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het besluit niet zonder meer leidt tot opheffing van de conservatoire beslagen;
2. het verzoek tot schorsing eigenlijk neerkomt op een verzoek om een verklaring voor recht dat Chemie-Pack niet gehouden is tot vergoeding van de kosten van bestuursdwang en de voorzieningenrechter niet bevoegd is om een dergelijke verklaring te geven en;
3. Chemie-Pack zelf eraan heeft bijgedragen dat nog geen heroverweging in bezwaar heeft kunnen plaatsvinden omdat zij pas aan het einde van de bezwaartermijn bezwaar heeft gemaakt en vervolgens pas na zeven weken een aanvullend bezwaarschrift heeft ingediend.
De voorzieningenrechter komt op grond hiervan tot de overweging dat hij het verzoek alleen kan toewijzen als het besluit lijdt aan een of meer evidente en ernstige gebreken en dit gebrek of deze gebreken in bezwaar niet kan/kunnen worden hersteld.
Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter dat het dagelijks bestuur bevoegd was bestuursdwang toe te passen, dat het Chemie-Pack niet in de gelegenheid had hoeven stellen om zelf maatregelen te treffen en dat Chemie-Pack terecht als overtreder is aangemerkt. De voorzieningenrechter constateert derhalve geen evidente gebreken en wijst het verzoek af.
De overweging van de voorzieningenrechter dat Chemie-Pack terecht als overtreder is aangemerkt is vooral gebaseerd op de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2008 (LJN: BF8999). Die uitspraak had betrekking op een vrijwel identieke situatie (waar overigens ook het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta bestuursdwang had toegepast). Ook in die zaak voerde het betrokken bedrijf aan dat het ten onrechte als overtreder was aangemerkt omdat het niet zelf het bluswater in de sloot had geloosd, geen bluswerkzaamheden had uitgevoerd en geen enkele invloed had gehad op de bluswerkzaamheden. De Afdeling oordeelde dat het bedrijf de overtreding niet feitelijk had begaan, maar dat de overtreding wel aan haar kon worden toegerekend omdat de bluswerkzaamheden feitelijk moeten worden geacht te zijn verricht in opdracht van het bedrijf. Brandbestrijding door de brandweer in een bedrijf moet in het algemeen worden geacht de gevolgen van die brand te beperken en die gevolgen kunnen aan het bedrijf worden toegerekend. Aldus de Afdeling.
De voorzieningenrechter overweegt op basis van deze uitspraak dat Chemie-Pack verantwoordelijk moet worden gehouden voor het lozen van het bluswater, nu die lozing rechtstreeks samenhangt met het blussen van de brand bij Chemie-Pack. Dat het bluswater via een ander terrein in de sloot is gelopen, maakt dat naar het (voorlopig) oordeel van de voorzieningenrechter niet anders.
LJN: BQ2058
Eén van de meest interessante vragen die de voorzieningenrechter beantwoordt is in hoeverre een overtreder belang heeft bij het laten treffen van een voorlopige voorziening tegen een beschikking toepassing bestuursdwang zonder voorafgaande lastgeving als de bestuursdwang al is uitgevoerd.
Inleiding
Nadat de brand bij Chemie-Pack was uitgebroken is de brandweer gaan blussen. Het bluswater stroomde vervolgens in de sloot, waardoor artikel 6.2 van de Waterwet werd overtreden. Het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta is bevoegd gezag en besloot onmiddellijk bestuursdwang toe te passen en de sloot schoon te maken op kosten van Chemie-Pack. Tevens liet het waterschap conservatoire beslagen leggen ten laste van Chemie-Pack tot zekerstelling van haar verhaalsmogelijkheden.
Chemie-Pack maakte bezwaar tegen deze beschikking en diende ruim drie maanden na de verzending van het besluit een verzoek voorlopige voorziening in. Zij verzocht de voorzieningenrechter om het besluit te schorsen en de conservatoire beslagen op te heffen c.q. het dagelijks bestuur te verplichten tot het laten opheffen van de beslagen.
Het verzoek tot opheffing van de conservatoire beslagen
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot opheffing van de conservatoire beslagen omdat het besluit tot het leggen van de conservatoire beslagen geen besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb is. Ook verklaart de voorzieningenrechter zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om het dagelijks bestuur te verplichten de conservatoire beslagen op te laten heffen. Een besluit tot opheffing van de beslagen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling en op grond van artikel 8:3 Awb niet appellabel.
Het verzoek tot schorsing van het besluit
Het dagelijks bestuur had betoogd, zo leid ik af uit de uitspraak, dat het verzoek reeds diende te worden afgewezen bij gebreke van een spoedeisend belang. De redenering staat niet in de uitspraak, maar ze zal geweest zijn dat schorsing van het besluit geen doel kan dienen omdat reeds bestuursdwang is toegepast.
De voorzieningenrechter passeert dit verweer. Hij overweegt dat schorsing van het besluit een belemmering kan vormen voor het nemen van een kostenbeschikking en dat dat weer een rol kan spelen bij het verzoek tot opheffing van de conservatoire beslagen.
De voorzieningenrechter nuanceert vervolgens de spoedeisendheid van het belang van Chemie-Pack omdat:
1. een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het besluit niet zonder meer leidt tot opheffing van de conservatoire beslagen;
2. het verzoek tot schorsing eigenlijk neerkomt op een verzoek om een verklaring voor recht dat Chemie-Pack niet gehouden is tot vergoeding van de kosten van bestuursdwang en de voorzieningenrechter niet bevoegd is om een dergelijke verklaring te geven en;
3. Chemie-Pack zelf eraan heeft bijgedragen dat nog geen heroverweging in bezwaar heeft kunnen plaatsvinden omdat zij pas aan het einde van de bezwaartermijn bezwaar heeft gemaakt en vervolgens pas na zeven weken een aanvullend bezwaarschrift heeft ingediend.
De voorzieningenrechter komt op grond hiervan tot de overweging dat hij het verzoek alleen kan toewijzen als het besluit lijdt aan een of meer evidente en ernstige gebreken en dit gebrek of deze gebreken in bezwaar niet kan/kunnen worden hersteld.
Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter dat het dagelijks bestuur bevoegd was bestuursdwang toe te passen, dat het Chemie-Pack niet in de gelegenheid had hoeven stellen om zelf maatregelen te treffen en dat Chemie-Pack terecht als overtreder is aangemerkt. De voorzieningenrechter constateert derhalve geen evidente gebreken en wijst het verzoek af.
De overweging van de voorzieningenrechter dat Chemie-Pack terecht als overtreder is aangemerkt is vooral gebaseerd op de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2008 (LJN: BF8999). Die uitspraak had betrekking op een vrijwel identieke situatie (waar overigens ook het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta bestuursdwang had toegepast). Ook in die zaak voerde het betrokken bedrijf aan dat het ten onrechte als overtreder was aangemerkt omdat het niet zelf het bluswater in de sloot had geloosd, geen bluswerkzaamheden had uitgevoerd en geen enkele invloed had gehad op de bluswerkzaamheden. De Afdeling oordeelde dat het bedrijf de overtreding niet feitelijk had begaan, maar dat de overtreding wel aan haar kon worden toegerekend omdat de bluswerkzaamheden feitelijk moeten worden geacht te zijn verricht in opdracht van het bedrijf. Brandbestrijding door de brandweer in een bedrijf moet in het algemeen worden geacht de gevolgen van die brand te beperken en die gevolgen kunnen aan het bedrijf worden toegerekend. Aldus de Afdeling.
De voorzieningenrechter overweegt op basis van deze uitspraak dat Chemie-Pack verantwoordelijk moet worden gehouden voor het lozen van het bluswater, nu die lozing rechtstreeks samenhangt met het blussen van de brand bij Chemie-Pack. Dat het bluswater via een ander terrein in de sloot is gelopen, maakt dat naar het (voorlopig) oordeel van de voorzieningenrechter niet anders.
LJN: BQ2058
woensdag 20 april 2011
Overtreder en last onder bestuursdwang
ABRvS, 20 april 2011. Is het bij de beantwoording van de vraag of iemand als overtreder kan worden aangemerkt relevant of diegene het in zijn macht heeft een einde aan de overtreding te maken? Dat is de vraag die gesteld kan worden naar aanleiding van deze uitspraak.
De feiten zijn - samengevat - de volgende. De eigenaar van een woning had de hele woning verhuurd aan een student. Deze had vervolgens twee kamers in die woning onderverhuurd aan twee medestudenten. Het college van B en W concludeerde dat hierdoor zelfstandige woonruimte was omgezet in onzelfstandige woonruimte en dat dit een overtreding van artikel 30 lid 1, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet opleverde omdat hiervoor geen vergunning was verleend. Het college van B en W legde terzake van deze overtreding een last onder bestuursdwang op aan de eigenaar van de woning
De eigenaar betoogde dat niet hij, maar de huurder als overtreder had moeten worden aangemerkt. De Afdeling oordeelt dat de eigenaar terecht als overtreder is aangemerkt, waarbij als belangrijk argument wordt genoemd dat hij het in zijn macht had een einde aan de overtreding te maken. Mijns inziens is dat een onjuiste benadering.
Niemand kan worden gelast om op straffe van verbeurte van een dwangsom het onmogelijke uit te voeren. Daarom is het in het kader van het opleggen van een last onder dwangsom van belang om na te gaan of de overtreder het in zijn macht heeft een einde aan de overtreding te maken. Dat betekent niet dat een ieder die het in zijn macht heeft een einde aan de overtreding te maken, per definitie als overtreder kan worden aangemerkt (een koe is een dier, maar niet ieder dier is een koe).
Bij de beantwoording van de vraag of iemand als overtreder kan worden aangemerkt, is het dus volstrekt irrelevant of hij het in zijn macht heeft een einde aan de overtreding te maken. Bovendien speelt het in het kader van het opleggen van een last onder bestuursdwang al helemaal geen rol of de overtreder het in zijn macht heeft een einde aan de overtreding te maken. De wetgever heeft met het opnemen van de term "last onder bestuursdwang" in artikel 5:21 Awb geen materiële wijziging van het recht beoogd. Een last onder bestuursdwang kan dus ook opgelegd worden als de overtreder het niet in zijn macht heeft een einde aan de overtreding te maken. Ook voor het kostenverhaal maakt het niet uit of de overtreder het in zijn macht heeft een einde aan de overtreding te maken.
De vraag of de eigenaar als overtreder kan worden aangemerkt, moet eerst en vooral worden beantwoord aan de hand van de overtreden norm. Die norm richt zich in dit geval tot degene die zelfstandige woonruimte zonder vergunning omzet in onzelfstandige woonruimte. Dat lijkt mij in dit geval de huurder en niet de eigenaar. Het enige wat de Afdeling daarover overweegt is dat het voor rekening en risico van de eigenaar komt dat deze in de huurovereenkomst had opgenomen dat de woning door drie personen bewoond mocht worden, zonder dat daarbij bepaald was dat onderverhuur was uitgesloten. Met andere woorden: de huurder was door de verhuurder, nu deze onderverhuur niet had uitgesloten, in staat gesteld om artikel 30 lid 1, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet te overtreden en dat maakt de verhuurder overtreder. Dat is op zijn minst een merkwaardige redenering.
LJN: BQ1887
De feiten zijn - samengevat - de volgende. De eigenaar van een woning had de hele woning verhuurd aan een student. Deze had vervolgens twee kamers in die woning onderverhuurd aan twee medestudenten. Het college van B en W concludeerde dat hierdoor zelfstandige woonruimte was omgezet in onzelfstandige woonruimte en dat dit een overtreding van artikel 30 lid 1, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet opleverde omdat hiervoor geen vergunning was verleend. Het college van B en W legde terzake van deze overtreding een last onder bestuursdwang op aan de eigenaar van de woning
De eigenaar betoogde dat niet hij, maar de huurder als overtreder had moeten worden aangemerkt. De Afdeling oordeelt dat de eigenaar terecht als overtreder is aangemerkt, waarbij als belangrijk argument wordt genoemd dat hij het in zijn macht had een einde aan de overtreding te maken. Mijns inziens is dat een onjuiste benadering.
Niemand kan worden gelast om op straffe van verbeurte van een dwangsom het onmogelijke uit te voeren. Daarom is het in het kader van het opleggen van een last onder dwangsom van belang om na te gaan of de overtreder het in zijn macht heeft een einde aan de overtreding te maken. Dat betekent niet dat een ieder die het in zijn macht heeft een einde aan de overtreding te maken, per definitie als overtreder kan worden aangemerkt (een koe is een dier, maar niet ieder dier is een koe).
Bij de beantwoording van de vraag of iemand als overtreder kan worden aangemerkt, is het dus volstrekt irrelevant of hij het in zijn macht heeft een einde aan de overtreding te maken. Bovendien speelt het in het kader van het opleggen van een last onder bestuursdwang al helemaal geen rol of de overtreder het in zijn macht heeft een einde aan de overtreding te maken. De wetgever heeft met het opnemen van de term "last onder bestuursdwang" in artikel 5:21 Awb geen materiële wijziging van het recht beoogd. Een last onder bestuursdwang kan dus ook opgelegd worden als de overtreder het niet in zijn macht heeft een einde aan de overtreding te maken. Ook voor het kostenverhaal maakt het niet uit of de overtreder het in zijn macht heeft een einde aan de overtreding te maken.
De vraag of de eigenaar als overtreder kan worden aangemerkt, moet eerst en vooral worden beantwoord aan de hand van de overtreden norm. Die norm richt zich in dit geval tot degene die zelfstandige woonruimte zonder vergunning omzet in onzelfstandige woonruimte. Dat lijkt mij in dit geval de huurder en niet de eigenaar. Het enige wat de Afdeling daarover overweegt is dat het voor rekening en risico van de eigenaar komt dat deze in de huurovereenkomst had opgenomen dat de woning door drie personen bewoond mocht worden, zonder dat daarbij bepaald was dat onderverhuur was uitgesloten. Met andere woorden: de huurder was door de verhuurder, nu deze onderverhuur niet had uitgesloten, in staat gesteld om artikel 30 lid 1, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet te overtreden en dat maakt de verhuurder overtreder. Dat is op zijn minst een merkwaardige redenering.
LJN: BQ1887
donderdag 14 april 2011
Geen schorsing invorderingsbesluit
Vz. ABRvS, 14 april 2011. De voorzitter van de Afdeling heeft een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen een besluit tot invordering van verbeurde dwangsommen afgewezen omdat er geen spoedeisend belang is dat het treffen van een voorlopige voorziening vereist. De voorzitter overweegt in dat verband:
De vraag is of de voorzitter in beide gevallen wel een voorlopige voorziening zou hebben getroffen als de overtreder wel aannemelijk zou hebben kunnen maken dat hij in onoverkomelijke financiële problemen zou raken door betaling van de dwangsommen. In dat geval lijkt voldoende aannemelijk dat de overtreder een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, maar vervolgens moet nog een afweging van alle betrokken belangen, waaronder niet in de laatste plaats het algemeen handhavingsbelang, plaatsvinden. Aan een dergelijke afweging zijn de voorzitters niet toegekomen.
Uit de uitspraken volgt wel dat de financiële positie van de overtreder relevant kan zijn in het kader van een verzoek voorlopige voorziening tegen een invorderingsbesluit. Kan de financiële positie van een overtreder dan ook relevant zijn bij het nemen van een besluit tot invordering? Moet geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien als de overtreder aannemelijk heeft gemaakt dat hij de dwangsommen niet kan betalen? Ik vind dat niet vanzelfsprekend. Het is immers vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de financiële positie van de overtreder niet relevant is bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom. Waarom dan wel bij het nemen van een invorderingsbesluit? In het civiele recht leidt het zogenoemde "pecunia non habet-"verweer ("ik heb geen geld") ook niet tot afwijzing van een vordering tot betaling. Er resteren dus, ook na deze uitspraak, nog voldoende vragen over het besluit tot invordering.
LJN: BQ1862
"[verzoekster] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij door betaling van de verbeurde dwangsommen in haar voortbestaan wordt bedreigd of ernstig in haar bedrijfsuitoefening wordt belemmerd. Ook de huidige economische omstandigheden als gevolg waarvan [verzoekster], naar zij stelt, wordt geconfronteerd met omzetdaling en verlies, vormen onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening vereist."Tot eenzelfde overweging was de voorzitter in één van de weinige andere vv-uitspraken met betrekking tot een invorderingsbesluit gekomen. In zijn uitspraak van 25 november 2010 (LJN: BO3477) overwoog de voorzitter dat de overtreder niet aannemelijk had gemaakt dat hij door betaling van de dwangsommen in onoverkomelijke financiële problemen zou komen.
De vraag is of de voorzitter in beide gevallen wel een voorlopige voorziening zou hebben getroffen als de overtreder wel aannemelijk zou hebben kunnen maken dat hij in onoverkomelijke financiële problemen zou raken door betaling van de dwangsommen. In dat geval lijkt voldoende aannemelijk dat de overtreder een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, maar vervolgens moet nog een afweging van alle betrokken belangen, waaronder niet in de laatste plaats het algemeen handhavingsbelang, plaatsvinden. Aan een dergelijke afweging zijn de voorzitters niet toegekomen.
Uit de uitspraken volgt wel dat de financiële positie van de overtreder relevant kan zijn in het kader van een verzoek voorlopige voorziening tegen een invorderingsbesluit. Kan de financiële positie van een overtreder dan ook relevant zijn bij het nemen van een besluit tot invordering? Moet geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien als de overtreder aannemelijk heeft gemaakt dat hij de dwangsommen niet kan betalen? Ik vind dat niet vanzelfsprekend. Het is immers vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de financiële positie van de overtreder niet relevant is bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom. Waarom dan wel bij het nemen van een invorderingsbesluit? In het civiele recht leidt het zogenoemde "pecunia non habet-"verweer ("ik heb geen geld") ook niet tot afwijzing van een vordering tot betaling. Er resteren dus, ook na deze uitspraak, nog voldoende vragen over het besluit tot invordering.
LJN: BQ1862
woensdag 13 april 2011
Weigering verlenging begunstigingstermijn is onredelijk
ABRvS, 13 april 2011. Op grond van artikel 5:32a lid 2 Awb moet het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom oplegt een termijn gunnen aan de overtreder, waarbinnen deze de last kan uitvoeren zonder dat dwangsommen verbeurd raken. Deze last mag niet te kort en niet te lang zijn.
In de onderhavige zaak had het bestuursorgaan geweigerd in te gaan op het verzoek van de overtreder om de begunstigingstermijn te verlengen tot 1 januari 2011. De voorzieningenrechter van de rechtbank oordeelde dat het bestuursorgaan in het algemeen belang van handhaving de verlenging van de begunstigingstermijn had mogen weigeren.
De Afdeling stelt vast dat degene die om handhaving had verzocht eerder had aangegeven geen bezwaar te hebben tegen verlenging van de begunstigingstermijn tot 1 januari 2011 mits de overtreder geen rechtsmiddelen tegen het handhavingsbesluit zou instellen. Gelet hierop overweegt de Afdeling dat de voorzieningenrechter bij zijn oordeel dat het bestuursorgaan het algemeen belang heeft mogen laten prevaleren ten onrechte het belang van de verzoeker bij het niet verlengen van de begunstigingstermijn heeft laten meewegen. Daarom oordeelt de Afdeling dat het niet verlengen van de begunstigingstermijn onredelijk is en voorziet zij zelf in de zaak door te bepalen dat de begunstigingstermijn tot 1 januari 2011 wordt verlengd en dat die uitspraak in de plaats treedt van het deels vernietigde besluit.
Een opmerkelijke uitspraak. Ten eerste blijkt uit de uitspraak niet dat het bestuursorgaan het belang van de verzoeker had betrokken bij de weigering om de begunstigingstermijn te verlengen. Ten tweede lijkt mij de bereidheid van degene die om handhaving verzoekt om in te stemmen met een verlenging van de begunstigingstermijn niet relevant. De termijn wordt niet bepaald op basis van een belangenafweging. De termijn behoort uitsluitend te worden bepaald aan de hand de tijd die nodig is om de opgelegde last uit te voeren.
LJN: BQ1045
In de onderhavige zaak had het bestuursorgaan geweigerd in te gaan op het verzoek van de overtreder om de begunstigingstermijn te verlengen tot 1 januari 2011. De voorzieningenrechter van de rechtbank oordeelde dat het bestuursorgaan in het algemeen belang van handhaving de verlenging van de begunstigingstermijn had mogen weigeren.
De Afdeling stelt vast dat degene die om handhaving had verzocht eerder had aangegeven geen bezwaar te hebben tegen verlenging van de begunstigingstermijn tot 1 januari 2011 mits de overtreder geen rechtsmiddelen tegen het handhavingsbesluit zou instellen. Gelet hierop overweegt de Afdeling dat de voorzieningenrechter bij zijn oordeel dat het bestuursorgaan het algemeen belang heeft mogen laten prevaleren ten onrechte het belang van de verzoeker bij het niet verlengen van de begunstigingstermijn heeft laten meewegen. Daarom oordeelt de Afdeling dat het niet verlengen van de begunstigingstermijn onredelijk is en voorziet zij zelf in de zaak door te bepalen dat de begunstigingstermijn tot 1 januari 2011 wordt verlengd en dat die uitspraak in de plaats treedt van het deels vernietigde besluit.
Een opmerkelijke uitspraak. Ten eerste blijkt uit de uitspraak niet dat het bestuursorgaan het belang van de verzoeker had betrokken bij de weigering om de begunstigingstermijn te verlengen. Ten tweede lijkt mij de bereidheid van degene die om handhaving verzoekt om in te stemmen met een verlenging van de begunstigingstermijn niet relevant. De termijn wordt niet bepaald op basis van een belangenafweging. De termijn behoort uitsluitend te worden bepaald aan de hand de tijd die nodig is om de opgelegde last uit te voeren.
LJN: BQ1045
Abonneren op:
Posts (Atom)