ABRvS, 15 januari 2014. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat verbeurde dwangsommen in beginsel moeten worden ingevorderd en dat alleen onder bijzondere omstandigheden van het bestuursorgaan kan worden gevergd dat het geheel of gedeeltelijk van invordering afziet. In deze uitspraak werd zo'n bijzondere omstandigheid aangenomen.
Het college van B en W van Deventer had de last onder dwangsom opgelegd om de in een woning aanwezige asbesthoudende materialen te saneren overeenkomstig een viertal voorschriften uit de Bouwverordening. Bij het niet naleven van de last zou een dwangsom van € 25.000,-- ineens verbeurd raken.
Eén van die voorschriften hield in dat de sanering moest worden uitgevoerd door een gecertificeerd bedrijf. Een ander voorschrift hield in dat het begin van de sanering minimaal een week van te voren schriftelijk moest worden gemeld aan het college.
De last werd uitgevoerd, behalve voor wat betreft de melding. De start van de saneringswerkzaamheden werd namelijk twee dagen in plaats van een week van te voren aangekondigd. Het college betoogde dat daardoor de last niet volledig was uitgevoerd en dus de dwangsom van € 25.000,-- was verbeurd. Het college ging over tot de volledige invordering van de verbeurde dwangsom. De overtreder verzette zich tegen deze invordering. De voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad oordeelde dat het gelet op deze omstandigheden onredelijk was om de dwangsom volledig in te vorderen en oordeelde dat het college de dwangsom tot niet meer dan een bedrag van € 10.000,-- mocht invorderen. Het college stelde hoger beroep in.
De Afdeling oordeelde dat de dwangsom weliswaar was verbeurd en dat verbeurde dwangsommen in beginsel moeten worden ingevorderd, maar dat het college in dit geval niet tot volledige invordering had kunnen overgaan. De Afdeling overwoog dat het doel van de last was dat de sanering niet door de overtreder zelf, maar door een gecertificeerd bedrijf zou worden uitgevoerd en dat dit doel (ook tijdig) was bereikt. Vervolgens overweegt de Afdeling dat de last in dit geval in vier onderdelen kan worden verdeeld omdat de vier voorschriften waarnaar in de last onder dwangsom wordt verwezen betrekking hebben op verschillende gedragingen. De last is alleen niet tijdig uitgevoerd voor wat betreft het melden van de aanvang van de sloopwerkzaamheden. Nu dit slechts één ondergeschikt onderdeel van de last is en het doel van de last wel is bereikt, oordeelt de Afdeling dat de voorzieningenrechter terecht tot het oordeel is gekomen dat de dwangsom niet volledig mocht worden ingevorderd.
Het college verwees nog naar een uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2013, waarin de Afdeling had geoordeeld dat het feit dat deels aan de last was voldaan geen bijzondere omstandigheid opleverde op grond waarvan gedeeltelijk van invordering moest worden afgezien. De Afdeling overweegt dat in dat geval de last zag op de verwijdering van een dakopbouw en dat die last niet in onderdelen kon worden verdeeld.
ECLI:NL:RVS:2014:32
Dit is een blog van Jaap IJdema van Adriaanse van der Weel Advocaten over uitspraken op het gebied van herstelsanctiebesluiten.
zondag 19 januari 2014
zondag 29 december 2013
Verjaring bevoegdheid tot invordering
ABRvS, 24 december 2013. Het college van B en W van Harderwijk had aan iemand die zonder vergunning een gebouw had opgericht de last onder dwangsom opgelegd om dit gebouw te verwijderen. De dwangsom was bepaald op een bedrag van € 50.000,-- ineens. Vast stond dat de last niet tijdig was uitgevoerd, zodat de dwangsom was verbeurd. Het college weigerde echter - om redenen die niet in de uitspraak worden genoemd - tot invordering over te gaan.
Degene die om invordering had verzocht maakte bezwaar tegen het besluit van het college om niet tot invordering over te gaan. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Tegen die beslissing stelde hij beroep in. De rechtbank verklaarde ruim een jaar na het verbeuren van de dwangsom het beroep ongegrond. Tegen die uitspraak stelde de belanghebbende hoger beroep in.
De Afdeling komt tot de conclusie dat de bevoegdheid tot invordering van de verbeurde dwangsom niet was gestuit of verlengd en daarom ten tijde van de uitspraak van de rechtbank al was verjaard. Bij gebrek aan belang bij een inhoudelijke beoordeling van de gronden, verklaart de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Voor de belanghebbende is dit wel een wrange uitspraak. De verjaring van de bevoegdheid tot invordering kan alleen worden gestuit of verlengd door een handeling van het bestuursorgaan. Als dat bestuursorgaan weigert om tot invordering over te gaan, zal het ook geen reden hebben om de verjaring van de bevoegdheid tot invordering te stuiten of te verlengen. Wat kan een belanghebbende dan doen?
De Afdeling heeft zich dit ook gerealiseerd en overweegt als volgt:
"De Afdeling overweegt dat in gevallen als de onderhavige, waarin vast staat en niet in geschil is dat een dwangsom is verbeurd en het college weigert in te vorderen, degene die in bezwaar en beroep opkomt tegen de weigering om tot invordering over te gaan het college in verband hiermee kan verzoeken de verjaringstermijn te stuiten of de verjaringstermijn te verlengen door uitstel van betaling te verlenen, en bij afwijzing van dit verzoek de bevoegde rechter kan verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen tot verlenging van de verjaringstermijn of om het college op te dragen de verjaringstermijn te stuiten."
Wat interessant is, is dat de Afdeling deze overweging alleen wijdt aan gevallen waarin vast staat en niet in geschil is dat een dwangsom is verbeurd. Dat roept de vraag op hoe het dan moet in gevallen waarin het bestuursorgaan van mening is dat geen dwangsom is verbeurd en een derdebelanghebbende dat standpunt juist wil aanvechten. Als het bestuursorgaan van mening is dat geen dwangsom is verbeurd, zal het al helemaal geen aanleiding hebben om tot stuiting of verlenging van de verjaring over te gaan. Hoe kan een derdebelanghebbende in dat geval voorkomen dat hangende de procedure de bevoegdheid tot invordering verjaart?
ECLI:NL:RVS:2013:2626
Degene die om invordering had verzocht maakte bezwaar tegen het besluit van het college om niet tot invordering over te gaan. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Tegen die beslissing stelde hij beroep in. De rechtbank verklaarde ruim een jaar na het verbeuren van de dwangsom het beroep ongegrond. Tegen die uitspraak stelde de belanghebbende hoger beroep in.
De Afdeling komt tot de conclusie dat de bevoegdheid tot invordering van de verbeurde dwangsom niet was gestuit of verlengd en daarom ten tijde van de uitspraak van de rechtbank al was verjaard. Bij gebrek aan belang bij een inhoudelijke beoordeling van de gronden, verklaart de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Voor de belanghebbende is dit wel een wrange uitspraak. De verjaring van de bevoegdheid tot invordering kan alleen worden gestuit of verlengd door een handeling van het bestuursorgaan. Als dat bestuursorgaan weigert om tot invordering over te gaan, zal het ook geen reden hebben om de verjaring van de bevoegdheid tot invordering te stuiten of te verlengen. Wat kan een belanghebbende dan doen?
De Afdeling heeft zich dit ook gerealiseerd en overweegt als volgt:
"De Afdeling overweegt dat in gevallen als de onderhavige, waarin vast staat en niet in geschil is dat een dwangsom is verbeurd en het college weigert in te vorderen, degene die in bezwaar en beroep opkomt tegen de weigering om tot invordering over te gaan het college in verband hiermee kan verzoeken de verjaringstermijn te stuiten of de verjaringstermijn te verlengen door uitstel van betaling te verlenen, en bij afwijzing van dit verzoek de bevoegde rechter kan verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen tot verlenging van de verjaringstermijn of om het college op te dragen de verjaringstermijn te stuiten."
Wat interessant is, is dat de Afdeling deze overweging alleen wijdt aan gevallen waarin vast staat en niet in geschil is dat een dwangsom is verbeurd. Dat roept de vraag op hoe het dan moet in gevallen waarin het bestuursorgaan van mening is dat geen dwangsom is verbeurd en een derdebelanghebbende dat standpunt juist wil aanvechten. Als het bestuursorgaan van mening is dat geen dwangsom is verbeurd, zal het al helemaal geen aanleiding hebben om tot stuiting of verlenging van de verjaring over te gaan. Hoe kan een derdebelanghebbende in dat geval voorkomen dat hangende de procedure de bevoegdheid tot invordering verjaart?
ECLI:NL:RVS:2013:2626
Concreet zicht op legalisatie staat niet aan handhaving in de weg
ABRvS, 11 december 2013. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat het bevoegd gezag in beginsel gebruik moet maken van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom of bestuursdwang. "Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat". Aldus de Afdeling.
Uit de overweging dat een bijzondere omstandigheid zich kan voordoen als een concreet zicht op legalisering bestaat, volgt reeds dat bij het bestaan van een concreet zicht op legalisering niet altijd van het bevoegd gezag gevergd kan worden dat het van handhaving afziet. Dat wordt ook duidelijk uit de uitspraak van 11 december 2013.
GS van Drenthe constateerden dat binnen een inrichting afvalstoffen werden op- en overgeslagen, zonder dat hiervoor een vergunning was verleend. GS besloten over te gaan tot handhaving van artikel 2.1 lid 1 sub e Wabo door middel van het opleggen van een last onder dwangsom. De overtreder maakte hiertegen bezwaar. GS verklaarden dit bezwaar ongegrond.
De rechtbank vernietigde de beslissing op bezwaar omdat volgens haar uit de Gedoogstrategie van GS volgde dat GS bij de belangenafweging het (eventueel) bestaan van een concreet zicht op legalisatie totaal niet betrekken.
Volgens die Gedoogstrategie is in oprichtingssituaties de enkele omstandigheid dat een concreet zicht op legalisatie bestaat onvoldoende om van handhaving af te zien. Er moeten daarnaast nog andere zwaarwegende belangen zijn die gedogen rechtvaardigen. In wijzigingssituaties (wijziging van bestaande, reeds vergunde situaties) kan volgens de Gedoogstrategie concreet zicht op legalisatie grond zijn om te gedogen mits na indiening van een aanvraag om een wijzigingsvergunning gedurende twaalf weken niet op die aanvraag is beslist. Dat is namelijk de kortst mogelijke termijn waarbinnen op een aanvraag kan worden beslist.
GS willen met dit beleid voorkomen dat bedrijven al beginnen met de vergunningplichtige activiteit voordat de vergunning in werking is getreden of verleend. Vergunningplichtige activiteiten moeten vooraf getoetst worden om de nadelige gevolgen voor het milieu zo veel mogelijk te beperken, wat volgens het college te meer van belang is nu de vergunningplicht op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo alleen nog voor zware milieubelastende activiteiten geldt.
Naar het oordeel van de rechtbank gingen GS de grenzen van hun beleidsvrijheid te buiten met dit beleid.
GS konden zich niet vinden in de uitspraak van de rechtbank en stelden hoger beroep in. De Afdeling stelt GS in het gelijk en overweegt:
"Het in overweging 2 bedoelde en in overweging 4 nader toegelichte handhavingsbeleid dat het college bij overtredingen van wettelijke voorschriften op het terrein van het milieurecht voert, overschrijdt niet de grenzen van een redelijke beleidsbepaling, gelet op de in die overwegingen weergegeven motivering waarop dit beleid berust en in aanmerking genomen dat volgens dit beleid het college ook bij concreet zicht op legalisatie zowel in oprichtingssituaties als in wijzigingssituaties steeds beoordeelt of er andere zwaarwegende omstandigheden zijn die - al dan niet tezamen met het concrete zicht op legalisatie - meebrengen dat handhavend optreden zodanig onevenredig zou zijn dat daarvan geheel of gedeeltelijk moet worden afgezien."
ECLI:NL:RVS:2013:2314
Uit de overweging dat een bijzondere omstandigheid zich kan voordoen als een concreet zicht op legalisering bestaat, volgt reeds dat bij het bestaan van een concreet zicht op legalisering niet altijd van het bevoegd gezag gevergd kan worden dat het van handhaving afziet. Dat wordt ook duidelijk uit de uitspraak van 11 december 2013.
GS van Drenthe constateerden dat binnen een inrichting afvalstoffen werden op- en overgeslagen, zonder dat hiervoor een vergunning was verleend. GS besloten over te gaan tot handhaving van artikel 2.1 lid 1 sub e Wabo door middel van het opleggen van een last onder dwangsom. De overtreder maakte hiertegen bezwaar. GS verklaarden dit bezwaar ongegrond.
De rechtbank vernietigde de beslissing op bezwaar omdat volgens haar uit de Gedoogstrategie van GS volgde dat GS bij de belangenafweging het (eventueel) bestaan van een concreet zicht op legalisatie totaal niet betrekken.
Volgens die Gedoogstrategie is in oprichtingssituaties de enkele omstandigheid dat een concreet zicht op legalisatie bestaat onvoldoende om van handhaving af te zien. Er moeten daarnaast nog andere zwaarwegende belangen zijn die gedogen rechtvaardigen. In wijzigingssituaties (wijziging van bestaande, reeds vergunde situaties) kan volgens de Gedoogstrategie concreet zicht op legalisatie grond zijn om te gedogen mits na indiening van een aanvraag om een wijzigingsvergunning gedurende twaalf weken niet op die aanvraag is beslist. Dat is namelijk de kortst mogelijke termijn waarbinnen op een aanvraag kan worden beslist.
GS willen met dit beleid voorkomen dat bedrijven al beginnen met de vergunningplichtige activiteit voordat de vergunning in werking is getreden of verleend. Vergunningplichtige activiteiten moeten vooraf getoetst worden om de nadelige gevolgen voor het milieu zo veel mogelijk te beperken, wat volgens het college te meer van belang is nu de vergunningplicht op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo alleen nog voor zware milieubelastende activiteiten geldt.
Naar het oordeel van de rechtbank gingen GS de grenzen van hun beleidsvrijheid te buiten met dit beleid.
GS konden zich niet vinden in de uitspraak van de rechtbank en stelden hoger beroep in. De Afdeling stelt GS in het gelijk en overweegt:
"Het in overweging 2 bedoelde en in overweging 4 nader toegelichte handhavingsbeleid dat het college bij overtredingen van wettelijke voorschriften op het terrein van het milieurecht voert, overschrijdt niet de grenzen van een redelijke beleidsbepaling, gelet op de in die overwegingen weergegeven motivering waarop dit beleid berust en in aanmerking genomen dat volgens dit beleid het college ook bij concreet zicht op legalisatie zowel in oprichtingssituaties als in wijzigingssituaties steeds beoordeelt of er andere zwaarwegende omstandigheden zijn die - al dan niet tezamen met het concrete zicht op legalisatie - meebrengen dat handhavend optreden zodanig onevenredig zou zijn dat daarvan geheel of gedeeltelijk moet worden afgezien."
ECLI:NL:RVS:2013:2314
zondag 8 december 2013
Herstelmaatregelen voldoende duidelijk
ABRvS, 4 december 2013. Het college van B en W van Bronckhorst had geconstateerd dat een recreatiewoning in strijd met het vigerende bestemmingsplan werd gebruikt als hoofdverblijf en had de last onder dwangsom opgelegd om deze overtreding te beëindigen. De overtreder voerde aan dat het besluit in strijd was met artikel 5:32a lid 1 Awb omdat de te nemen herstelmaatregelen onvoldoende duidelijk waren omschreven.
De Afdeling volgt de overtreder niet en overweegt dat in het besluit is aangegeven op grond van welke bevindingen de constatering van de overtreding is gebaseerd, zodat de overtreder ook weet welke omstandigheden van invloed zijn op het hebben van een hoofdverblijf en de beëindiging daarvan. De Afdeling verwijst daarbij naar haar uitspraak van 7 oktober 2009, waarin de Afdeling oordeelde dat de eisen van rechtszekerheid niet zover reiken dat op voorhand moet worden aangegeven onder welke omstandigheden er sprake is van het hebben van een hoofdverblijf elders.
ECLI:NL:RVS:2013:2240
De Afdeling volgt de overtreder niet en overweegt dat in het besluit is aangegeven op grond van welke bevindingen de constatering van de overtreding is gebaseerd, zodat de overtreder ook weet welke omstandigheden van invloed zijn op het hebben van een hoofdverblijf en de beëindiging daarvan. De Afdeling verwijst daarbij naar haar uitspraak van 7 oktober 2009, waarin de Afdeling oordeelde dat de eisen van rechtszekerheid niet zover reiken dat op voorhand moet worden aangegeven onder welke omstandigheden er sprake is van het hebben van een hoofdverblijf elders.
ECLI:NL:RVS:2013:2240
donderdag 7 november 2013
Toetsingskader bij toepassing bevoegdheid artikel 8:72 lid 3 Awb (in stand laten rechtsgevolgen)
ABRvS, 6 november 2013. Op grond van artikel 8:72 lid 3 Awb kan de rechter na vernietiging van het bestreden besluit de rechtsgevolgen van dat besluit in stand laten. De Afdeling oordeelde eerder dat de rechter bij toepassing van die bevoegdheid moest uitgaan van de feiten en omstandigheden ten tijde van de uitspraak. Die jurisprudentie heeft de Afdeling nu gewijzigd in zaken waarin het gaat om de vraag of het bestuursorgaan al dan niet terecht handhavend heeft opgetreden of heeft geweigerd dat te doen. De Afdeling is van oordeel dat in dat soort gevallen het rechtszekerheidsbeginsel vergt dat bij toepassing van de bevoegdheid van artikel 8:72 lid 3 Awb wordt uitgegaan van het tijdstip waarop het bestreden besluit is genomen.
Ik citeer uit de uitspraak van de Afdeling:
Ik citeer uit de uitspraak van de Afdeling:
"Weliswaar is in onder meer de uitspraak van 13 oktober 2010 overwogen dat de rechter bij de aanwending van de bevoegdheid tot het in stand laten van de rechtsgevolgen dient uit te gaan van de feiten en omstandigheden op het moment van de uitspraak en het dan geldende recht. Dit is echter anders indien het gaat om zaken waarbij de vraag aan de orde is of het college al dan niet terecht is overgegaan tot handhavend optreden of heeft geweigerd dat te doen. Bij de beoordeling van die besluiten dient te worden onderzocht of de gesanctioneerde gedraging ten tijde van het besluit waarbij tot handhavend optreden is overgegaan of is geweigerd daartoe over te gaan had plaatsgevonden en toen verboden was. Indien hierover anders zou worden geoordeeld, zou dit in strijd met de rechtszekerheid tot gevolg kunnen hebben dat een bestuursorgaan handhavend kan optreden tegen een bouwwerk dat vergunningsvrij kon worden opgericht, terwijl dat door veranderde wetgeving niet langer mogelijk is."ECLI:NL:RVS:2013:1789
Wanneer verbeurt een dwangsom per tijdseenheid (3)?
ABRvS, 6 november 2013. Wanneer verbeurt een dwangsom per tijdseenheid? Stel dat de last wordt opgelegd om vóór 1 december a.s. een einde aan de overtreding te maken op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per week dat de last niet wordt uitgevoerd. Verbeurt de eerste dwangsom dan op 1 december a.s. of op 8 december a.s.?
Op 8 juli 2011 oordeelde de Hoge Raad dat de dwangsom pas aan het einde van de tijdseenheid verbeurt, dus op 8 december a.s. in het voorbeeld. Op 12 december 2012 deed de Afdeling een uitspraak, waaruit werd afgeleid dat de Afdeling dezelfde mening was toegedaan. In haar uitspraak van 6 november jl. oordeelt de Afdeling zeer expliciet dat een dwangsom per tijdseenheid pas verbeurd raakt na het verstrijken van de tijdseenheid. Ik citeer:
ECLI:NL:RVS:2013:1829
Op 8 juli 2011 oordeelde de Hoge Raad dat de dwangsom pas aan het einde van de tijdseenheid verbeurt, dus op 8 december a.s. in het voorbeeld. Op 12 december 2012 deed de Afdeling een uitspraak, waaruit werd afgeleid dat de Afdeling dezelfde mening was toegedaan. In haar uitspraak van 6 november jl. oordeelt de Afdeling zeer expliciet dat een dwangsom per tijdseenheid pas verbeurd raakt na het verstrijken van de tijdseenheid. Ik citeer:
"Nu artikel 5:32b, eerste lid, van de Awb spreekt van een tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd en de in dit geval gekozen tijdseenheid van een week niet geheel was verstreken alvorens een nieuwe termijn werd gegeven, zijn geen dwangsommen verbeurd. Van dezelfde wetsuitleg getuigt het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2011 in zaak nr. 10/00525 (ECLI:NL:HR:2011:BQ5076)."In deze zaak had het bestuursorgaan een last opgelegd op straffe van verbeurte van een dwangsom per week. Op de zevende dag van die week gaf het bestuursorgaan de overtreder een nieuwe begunstigingstermijn. Degene die om handhaving had verzocht wees erop dat na het verstrijken van de begunstigingstermijn de begunstigingstermijn niet kan worden verlengd, zodat toch een dwangsom was verbeurd. De Afdeling oordeelt dat het juist is dat de begunstigingstermijn niet is verlengd, maar dat de nieuwe begunstigingstermijn is vastgesteld op de laatste dag van de week, zodat de tijdseenheid nog niet volledig verstreken was en er dus nog geen dwangsom was verbeurd op het moment dat een nieuwe begunstigingstermijn werd gegeven.
ECLI:NL:RVS:2013:1829
woensdag 16 oktober 2013
Overgangsrecht: bouwen is eenmalige overtreding
ABRvS, 16 oktober 2013. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 1 juni 2011een uitleg gegeven aan de overgangsbepaling van artikel IV lid 1 Wet vierde tranche Awb, waarmee een einde kwam aan de onduidelijkheid over welk recht nu van toepassing was ten aanzien van overtredingen die vóór 1 juli 2009 waren aangevangen en daarna waren blijven voortduren. Ten aanzien van deze overtredingen is het oude recht van toepassing als het bevoegd gezag vóór 1 juli 2009 een voornemen tot het opleggen van een herstelsanctie heeft gestuurd, waarbij het de overtreder in de gelegenheid heeft gesteld om zijn zienswijze te geven. In haar uitspraak van 16 oktober 2013 heeft de Afdeling deze jurisprudentie nog wat verder geconcretiseerd voor wat betreft het bouwen zonder bouwvergunning.
Het college van B en W van Oldenzaal had op 6 januari 2009 een bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een bouwwerk. Op 22 december 2009 trok het college deze bouwvergunning in omdat bij de aanvraag onjuiste gegevens waren verstrekt. Vervolgens legde het college een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 40 lid 1 Woningwet (oud). De last werd niet uitgevoerd, waarna het college een beschikking nam omtrent de invordering van de verbeurde dwangsommen. In de procedure tegen die beschikking rees de vraag welk recht van toepassing was.
De Afdeling oordeelt dat de intrekking van de bouwvergunning terugwerkende kracht heeft, zodat de bouwvergunning moet worden geacht nooit te hebben bestaan. Dat betekent dat reeds bij het begin van de bouwwerkzaamheden artikel 40 lid 1 Woningwet werd overtreden. Vast stond dat de bouwwerkzaamheden waren begonnen vóór 1 juli 2009. De Afdeling voorkomt een discussie over de vraag of de werkzaamheden al dan niet vóór 1 juli 2009 zijn voltooid, door te overwegen dat het bouwen zonder bouwvergunning - met het oog op een praktisch werkbare toepassing van het overgangsrecht - moet worden geduid als een eenmalige overtreding. Het moment waarop de bouwwerkzaamheden zijn aangevangen is het moment waarop die eenmalige overtreding naar het oordeel van de Afdeling moet worden geacht te zijn verricht. Nu in dit geval vast stond dat de werkzaamheden vóór 1 juli 2009 waren verricht, was het oude recht van toepassing.
ECLI:NL:RVS:2013:1563
Het college van B en W van Oldenzaal had op 6 januari 2009 een bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een bouwwerk. Op 22 december 2009 trok het college deze bouwvergunning in omdat bij de aanvraag onjuiste gegevens waren verstrekt. Vervolgens legde het college een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 40 lid 1 Woningwet (oud). De last werd niet uitgevoerd, waarna het college een beschikking nam omtrent de invordering van de verbeurde dwangsommen. In de procedure tegen die beschikking rees de vraag welk recht van toepassing was.
De Afdeling oordeelt dat de intrekking van de bouwvergunning terugwerkende kracht heeft, zodat de bouwvergunning moet worden geacht nooit te hebben bestaan. Dat betekent dat reeds bij het begin van de bouwwerkzaamheden artikel 40 lid 1 Woningwet werd overtreden. Vast stond dat de bouwwerkzaamheden waren begonnen vóór 1 juli 2009. De Afdeling voorkomt een discussie over de vraag of de werkzaamheden al dan niet vóór 1 juli 2009 zijn voltooid, door te overwegen dat het bouwen zonder bouwvergunning - met het oog op een praktisch werkbare toepassing van het overgangsrecht - moet worden geduid als een eenmalige overtreding. Het moment waarop de bouwwerkzaamheden zijn aangevangen is het moment waarop die eenmalige overtreding naar het oordeel van de Afdeling moet worden geacht te zijn verricht. Nu in dit geval vast stond dat de werkzaamheden vóór 1 juli 2009 waren verricht, was het oude recht van toepassing.
ECLI:NL:RVS:2013:1563
Abonneren op:
Posts (Atom)