dinsdag 20 augustus 2013

Last onder bestuursdwang houdt geen verplichting in

ABRvS, 24 juli 2013. Sinds de inwerkingtreding van de Wet Vierde Tranche Awb spreken we niet meer over het besluit tot het toepassen van bestuursdwang, maar over het besluit tot het opleggen van een last onder bestuursdwang. De wetgever heeft dit opgenomen in de wet op advies van de Raad van State. De Raad van State vond dat het besluit tot toepassen van bestuursdwang in wezen niet verschilde van het besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom en dat het daarom logischer was voortaan te spreken van het opleggen van een last onder bestuursdwang.
 
Dit heeft in de literatuur tot veel discussie geleid. Zie bijvoorbeeld de venijnige discussie tussen mr. W. Konijnenbelt (die schijnbaar verantwoordelijk is geweest voor dit advies van de Raad van State) en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. F.C.M.A. Michiels in de NJB 2005, pagina's 1518 en 1519.
 
De nieuwe regeling heeft in ieder geval meer vragen opgeworpen, dan onduidelijkheden opgelost. Eén van die vragen was of aan iemand een last onder bestuursdwang kan worden opgelegd als hij/zij het niet in zijn macht heeft om de last uit te voeren. Een logische vraag. Er kan immers ook geen last onder dwangsom worden opgelegd als de overtreder het niet in zijn macht heeft om de last uit te voeren.
 
De Afdeling oordeelt dat het niet uitmaakt of degene aan wie de last onder bestuursdwang is gericht het in zijn macht heeft om de last uit te voeren omdat de last onder bestuursdwang geen verplichting inhoudt. Ik citeer de Afdeling: 
"Anders dan bij een dwangsomaanschrijving, is er bij een bestuursdwangaanschrijving geen sprake van een opgelegde verplichting, die men moet kunnen nakomen, maar van een geboden gelegenheid om - ter voorkoming van het optreden van het bestuursorgaan zelf - maatregelen te treffen om de illegale situatie te beëindigen. Dat met de inwerkingtreding van de Vierde tranche van de Awb op 1 juli 2009 de terminologie omtrent bestuursdwang is gewijzigd, maakt het voorgaande niet anders, nu de wetgever daarmee geen materiële wijziging van het recht heeft beoogd (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 29 702, nr. 3, blz. 101)."
Samengevat: de wet spreekt sinds 1 juli 2009 over een last onder bestuursdwang, maar dat is geen last omdat de wetgever niet heeft bedoeld het een last te laten zijn. Begrijpt u het nog? Alle goede bedoelingen van de Raad van State ten spijt, ik denk dat we kunnen vaststellen dat het advies om voortaan te spreken van een last onder bestuursdwang tot meer onduidelijkheid dan duidelijkheid heeft geleid.
ECLI:NL:RVS:2013:489

donderdag 18 juli 2013

Gelijkheidsbeginsel strekt niet zover dat een gemaakte fout moet worden herhaald

ABRvS, 17 juli 2013. Het college van B en W van Bergen had de last onder dwangsom opgelegd om het gebruik van een uitbreiding van een woning als recreatiewoning te beëindigen. De overtreder deed een beroep op het gelijkheidsbeginsel en wees op het feit dat het college in een ander geval een omgevingsvergunning had verleend voor het gebruik van een woning als recreatiewoning. 

De Afdeling vond dat het college in het bestreden besluit onvoldoende had uitgelegd waarom dat geval verschilde. De Afdeling droeg bij tussenuitspraak het college op om deze motivering alsnog te geven. Het college moest erkennen dat het een omgevingsvergunning had verleend, maar betoogde dat het dit ten onrechte had gedaan en dat het zo mogelijk deze fout zou herstellen en de omgevingsvergunning zou intrekken. Dit betoog komt de Afdeling aannemelijk voor. De Afdeling overweegt vervolgens dat het gelijkheidsbeginsel niet zover strekt dat een gemaakte fout moet worden herhaald.
ECLI:NL:RVS:2013:293

zondag 7 juli 2013

Consistent en doordacht handhavingsbeleid; geen strijd met gelijkheidsbeginsel

ABRvS, 3 juli 2013. De Afdeling heeft eerder al geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel een consistent en doordacht bestuursbeleid vergt. Het veronderstelt dat het bestuur welbewust richting geeft en derhalve een algemene gedragslijn volgt ten aanzien van zijn optreden in vergelijkbare gevallen. Het beleid dat uitsluitend wordt gehandhaafd als daarom wordt verzocht, wordt door de Afdeling niet als een consistent en doordacht bestuursbeleid aangemerkt. 

De uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2013 vormt een aardig voorbeeld van een situatie waarin wel sprake was van een consistent en doordacht bestuursbeleid ten aanzien van vergelijkbare gevallen. Het ging in dat geval om verlichting die zonder vergunning was bevestigd aan de buitenmuur van een horecapand aan het Rembrandtplein in Amsterdam. De overtreder wees op een aantal vergelijkbare gevallen, waarin het dagelijks bestuur van het stadsdeel centrum niet tot handhaving was overgegaan. Het dagelijks bestuur wees op een handhavingsprogramma op basis waarvan gebiedsgewijs tot handhaving werd overgegaan. Alleen als overtredingen leiden tot een gevaarlijke situatie of onevenredige hinder of overlast, werd eerder tot handhaving overgegaan. Het dagelijks bestuur kon ook aantonen dat het daadwerkelijk uitvoering gaf aan dit programma. De Afdeling beoordeelde dit beleid als een consistent en doordracht bestuursbeleid. 

Nu de vergelijkbare gevallen waarnaar de overtreder had verwezen zich in andere gebieden afspeelden, waar volgens het handhavingsprogramma later zou worden gehandhaafd, oordeelde de Afdeling dat niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel werd gehandeld door in dit concrete geval wel handhavend op te treden.
ECI:NL:RVS:2013:144

woensdag 26 juni 2013

Reikwijdte last tot beëindiging illegale bewoning

ABRvS, 26 juni 2013. Het college van B en W van Eersel had geconstateerd dat een bedrijfsruimte werd bewoond. Dat leverde een overtreding op van artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo. Het college legde aan de overtreder een last onder dwangsom op. De last hield in dat de bewoning moest worden beëindigd, waarbij werd aangegeven dat de overtreder alle aanwezige huisraad (kastje met televisie erop, eethoek, fauteuil, pannen, serviesgoed, linnengoed, toiletartikelen, (opgedekt) bed, niet-bedrijfskleding, huishoudelijke spullen) diende te verwijderen en verwijderd te houden.

De overtreder vond deze last te ver gaan. Hij betoogde dat door verwijdering van deze zaken het toegestane gebruik van de ruimte niet meer mogelijk was.

De Afdeling is het daar niet mee eens. De Afdeling oordeelt dat de in de last opgesomde voorwerpen onderdeel uitmaken van het gebruik van de bedrijfsruimte als woning en dat de last daarom niet verder strekt dan strikt noodzakelijk.
Procedurenummer: 201209991/1/A1

woensdag 19 juni 2013

Niet innen is geen uitstel van betaling

ABRvS, 19 juni 2013. Houdt het besluit om voorlopig geen invorderingsbesluit te nemen in dat uitstel van betaling wordt verleend? Dat was de vraag waarvoor de Afdeling zich in deze casus zag gesteld. Het antwoord op de vraag was bepalend voor het antwoord op de vraag of de bevoegdheid tot invordering was verjaard.

Het college van GS van Gelderland had een last onder dwangsom aan Excluton Beheer B.V. opgelegd. Excluton had de last niet uitgevoerd, waardoor de dwangsommen tot het maximumbedrag waren verbeurd. Excluton had bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom en GS hadden bij brief toegezegd niet tot inning over te gaan en geen invorderingsbesluit te zullen nemen zolang nog geen beslissing op bezwaar was genomen.

Een jaar en drie maanden na het verbeuren van de laatste dwangsom neemt het college van GS een invorderingsbesluit. Excluton stelt beroep in tegen dat besluit en stelt dat GS niet tot invordering hadden mogen besluiten omdat hun bevoegdheid tot invordering was verjaard.

GS stelden zich op het standpunt dat zij met hun besluit om in afwachting van de beslissing op bezwaar niet tot inning over te gaan uitstel van betaling hadden verleend, zodat de verjaringstermijn op grond van artikel 4:111 lid 1 Awb was verlengd met de periode waarvoor uitstel van betaling was verleend.

De Afdeling overweegt dat de verplichting tot betaling van verbeurde dwangsommen van rechtswege ontstaat op het moment van verbeurte en niet op het moment van bekendmaking van het invorderingsbesluit. Vervolgens overweegt de Afdeling dat de beslissing om voorlopig niet tot inning over te gaan, geen besluit tot het verlenen van uitstel van betaling inhoudt. Dat brengt de Afdeling tot de conclusie dat de verjaringstermijn niet is verlengd en dat de bevoegdheid tot invordering dus toch is verjaard.
LJN: CA3682

dinsdag 18 juni 2013

Geen spoedeisend belang bij treffen voorlopige voorziening

Vz. ABRvS, 6 juni 2013. Het college van B en W van Eindhoven had aan H.P.M. Onroerend Goed de last onder dwangsom opgelegd om het gebruik van een terrein aan de Luchthavenweg in Eindhoven als parkeerterrein te beëindigen en beëindigd te houden. Het college verklaarde het bezwaar grotendeels ongegrond. De voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep ongegrond. Tegen die uitspraak stelde H.P.M. Onroerend Goed hoger beroep in en diende zij een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in bij de Voorzitter van de Afdeling in een poging te voorkomen dat zij de last hangende het hoger beroep zou moeten uitvoeren.

De Voorzitter oordeelt dat H.P.M. Onroerend Goed geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, al verstrijkt de begunstigingstermijn en dient H.P.M. Onroerend Goed de last uit te voeren wil zij geen dwangsom verbeuren. De Voorzitter overweegt dat H.P.M. Onroerend Goed niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij onevenredig en onherstelbaar nadeel lijdt als zij de last moet uitvoeren. Daarbij neemt de Voorzitter in aanmerking dat H.P.M. Onroerend Goed niet heeft betwist dat zij de schade die zij lijdt als gevolg van het uitvoeren van de last kan verhalen op de gemeente indien zij in rechte uiteindelijk gelijk krijgt en dat H.P.M. Onroerend Goed niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door het uitvoeren van de last in een financiële noodsituatie komt te verkeren.

Deze uitspraak is opmerkelijk, omdat ik de Voorzitter van de Afdeling zich nog niet eerder zo kritisch heb horen uitlaten over het spoedeisend belang van degene die een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen een last onder dwangsom indient. Tot nu toe leek de dreiging van het verbeuren van dwangsommen voldoende om een spoedeisend belang aan te nemen. Sterker nog, in zijn uitspraak van 22 juni 2012 schorste de Voorzitter een last onder dwangsom omdat de Voorzitter niet inzag welk spoedeisend belang gediend was met het uitvoeren van de last hangende de bodemprocedure.

Hoeveel waarde moeten we aan deze uitspraak hechten? Eén zwaluw maakt nog geen zomer, maar het is wel interessant om te zien hoe de Voorzitter zich in volgende uitspraken gaat opstellen ten aanzien van het spoedeisend belang.
LJN: CA2841
 

vrijdag 7 juni 2013

Sanctiebesluit vernietigd wegens strijd met beleid

ABRvS, 5 juni 2013. Op 5 oktober 2011 voegde de Afdeling een uitzondering toe aan de beginselplicht tot handhaving. Die uitzondering hield in dat als een bestuursorgaan een redelijk handhavingsbeleid hanteert en op grond van dat beleid bij een eerste overtreding slechts een waarschuwing volgt, het bestuursorgaan zich ook aan dat beleid moet houden en geen sanctiebesluit kan nemen. In dat concrete geval was deed zich het tegenovergestelde voor. Het bestuursorgaan had volstaan met een waarschuwing, terwijl het op grond van het beleid meteen tot handhaving had moeten overgaan. Dat leidde tot een vernietiging van de beslissing op bezwaar.

In de zaak die leidde tot de uitspraak van 5 juli 2013 had het bestuursorgaan meteen een last onder dwangsom opgelegd, terwijl het op grond van het eigen handhavingsbeleid had moeten volstaan met het uitdelen van een waarschuwing. De consequentie is dat de Afdeling het primaire besluit herroept.
LJN: CA2060