ABRvS, 25 januari 2012. Eerder heb ik aandacht besteed aan een uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2011. In die zaak had het bestuursorgaan aanvankelijk een last onder dwangsom opgelegd aan vennootschap A, terwijl het de last aan vennootschap B had willen opleggen. Vervolgens wijzigde het bestuursorgaan de tenaamstelling van de last en betoogde het dat deze wijziging geen besluit was onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2000 (zaaknummer 199900635/1).
De Afdeling oordeelde toen dat die vergelijking niet opging omdat in de zaak uit 2000 evident sprake was van een kennelijke verschrijving. De vennootschap die in eerste instantie was aangeschreven bestond niet bestond en het was zonder twijfel duidelijk dat bedoeld was om vennootschap X aan te schrijven. In dit geval bestond vennootschap A wel.
De uitspraak van 25 januari 2012 betreft een vrijwel identieke situatie. Het college van B en W van Scherpenzeel legt een last onder dwangsom op aan vennootschap A. Bij beslissing op bezwaar wijzigt het college de tenaamstelling in vennootschap B en C. De rechtbank verklaart het beroep tegen deze beslissing ongegrond.
In hoger beroep overweegt de Afdeling dat de wijziging tenaamstelling niet alleen een besluit is, maar jegens de vennootschappen B en C als primair besluit geldt. Dat brengt de Afdeling tot de conclusie dat de rechtbank niet bevoegd was en het beroepschrift als bezwaarschrift had moeten doorsturen aan het college ter verdere afhandeling.
Dit oordeel van de Afdeling is verrassend te noemen. Eerder heeft de Afdeling immers uitgemaakt dat een bestuursorgaan bij beslissing op bezwaar kan besluiten dat de last onder dwangsom aan een ander wordt opgelegd, mits die ander is gehoord en de grondslag van de last niet wordt verlaten. Dat besluit maakt dan onderdeel uit van de beslissing op bezwaar en wordt niet als nieuw primair besluit gezien.
Zou de Afdeling nu met deze lijn van de jurisprudentie hebben willen breken?
LJN: BV1856
Dit is een blog van Jaap IJdema van Adriaanse van der Weel Advocaten over uitspraken op het gebied van herstelsanctiebesluiten.
woensdag 25 januari 2012
dinsdag 24 januari 2012
De gevolgen van de schorsing van een last onder dwangsom
Rechtbank Haarlem, 11 januari 2012. Een eigenaar van drie kadastrale percelen had op die percelen, in strijd met artikel 13 lid 6 en artikel 25 van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij, 1.000 bomen geplant binnen de zogenoemde teeltvrije zone. Terzake van deze overtreding had het college van dijkgraaf en heemraden van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier de last onder dwangsom opgelegd om de bomen te kappen.
De voorzitter van de Afdeling schorste het dwangsombesluit. In bezwaar bleek dat voor 492 bomen de kadastrale aanduiding in de last onder dwangsom onjuist was. Het college herstelde dat in de beslissing op bezwaar. Voor het overige werd het bezwaar ongegrond verklaard. Deze beslissing op bezwaar werd ook geschorst door de voorzitter van de Afdeling. Uiteindelijk verklaarde de Afdeling het beroep tegen de beslissing op bezwaar ongegrond.
In de verzetprocedure tegen het dwangbevel oordeelt de rechtbank Haarlem dat in de beslissing op bezwaar de last was herroepen voor zover het de genoemde 492 bomen betrof, zodat de last om die bomen te kappen als een nieuwe last moest worden beschouwd. De rechtbank neemt verder aan dat namens het Hoogheemraadschap de begunstigingstermijn was verlengd tot 1 december 2009. De bomen waren vóór die datum gekapt, zodat de nieuwe last niet was overtreden.
De last die voor de overige 508 bomen was opgelegd was in bezwaar niet gewijzigd. De rechtbank constateert dat de dwangsommen ten tijde van de eerste schorsingsuitspraak van de voorzitter van de Afdeling al tot het maximumbedrag waren verbeurd. Dat was voor die procedure wel een relevant gegeven. Zoals immers de voorzitter van de Afdeling recent (9 januari 2012, LJN: BV1160) nog eens heeft geoordeeld ontbreekt een spoedeisend belang bij het treffen van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen een last onder dwangsom als de dwangsommen reeds tot het maximumbedrag zijn verbeurd. Het is niet duidelijk waarom dit feit in de procedure bij de voorzitter geen rol heeft gespeeld.
De rechtbank overweegt dat de schorsing van de last onder dwangsom geen gevolgen heeft gehad voor het verbeurd zijn van de dwangsommen, maar wel heeft geleid tot opschorting van de bevoegdheid tot invordering. Dat is een opmerkelijke uitspraak.
Uitgangspunt is dat in de verzetprocedure moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het onderliggende dwangsombesluit. Als dat dwangsombesluit wordt geschorst, dan kan dat aanleiding zijn om dit uitgangspunt te verlaten, maar het is zeker niet zo dat een schorsing van de last onder dwangsom per definitie de bevoegdheid tot invordering van reeds verbeurde dwangsommen schorst. Dat zou ook niet consistent zijn met de hiervoor aangehaalde jurisprudentie dat een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening tegen een last onder dwangsom ontbreekt als de dwangsommen reeds tot het maximumbedrag zijn verbeurd.
donderdag 12 januari 2012
Geen verhaal van voorbereidingskosten bij spoedeisende bestuursdwang
ABRvS, 11 januari 2012. Het college van B en W van Breda had op de voet van artikel 5:31 lid 2 Awb zeer spoedeisende bestuursdwang toegepast en een hennepkwekerij ontruimd. Bij het naderhand op schrift stellen van de bestuursdwangbeschikking riep het college juridische bijstand in. De kosten van deze bijstand wilde het college verhalen.
Het college had zich blijkbaar (zo blijkt indirect uit de uitspraak) op het standpunt gesteld dat de kosten van juridische bijstand, hoewel die waren gemaakt nadat bestuursdwang was toegepast, aangemerkt moeten worden als voorbereidingskosten en op de voet van artikel 5:25 lid 3 Awb kunnen worden verhaald. Artikel 5:25 lid 3 Awb bepaalt dat tot de kosten van bestuursdwang worden gerekend de kosten van voorbereiding, maar wel voor zover deze zijn gemaakt na het verstrijken van de begunstigingstermijn. In die 'mits' zit de crux. De essentie van spoedeisende bestuursdwang is immers dat bestuursdwang kan worden toegepast zonder voorafgaande last, zodat er ook nooit een begunstigingstermijn zal verstrijken. De tekst van de wet staat dus in de weg aan het verhalen van kosten van voorbereiding bij spoedeisende bestuursdwang.
De Afdeling overweegt dat de kosten van juridische bijstand niet verhaald kunnen worden op de overtreder. Daarbij baseert de Afdeling zich niet alleen op de tekst van de wet, maar ook op de parlementaire geschiedenis. De Afdeling overweegt:
Wat minder logisch is, is dat de Afdeling onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis tot het algemene oordeel komt dat kosten van voorbereiding bij spoedeisende bestuursdwang niet kunnen worden verhaald.
De passage uit de parlementaire geschiedenis waarnaar de Afdeling verwijst komt uit de nota naar aanleiding van het verslag van de behandeling van het wetsvoorstel derde tranche Awb en is een antwoord op een vraag die gesteld is over het (huidige) derde lid van artikel 5:25 Awb. De door de Afdeling gegeven samenvatting is bijna een letterlijke weergave van die passage. Een uitleg wordt echter niet gegeven, terwijl de passage wel om een uitleg vraagt. Want waarom kunnen de kosten van voorbereiding bij spoedeisende bestuursdwang niet en bij reguliere bestuursdwang wel worden verhaald? Wie het weet, mag het zeggen.
LJN: BV0587
Het college had zich blijkbaar (zo blijkt indirect uit de uitspraak) op het standpunt gesteld dat de kosten van juridische bijstand, hoewel die waren gemaakt nadat bestuursdwang was toegepast, aangemerkt moeten worden als voorbereidingskosten en op de voet van artikel 5:25 lid 3 Awb kunnen worden verhaald. Artikel 5:25 lid 3 Awb bepaalt dat tot de kosten van bestuursdwang worden gerekend de kosten van voorbereiding, maar wel voor zover deze zijn gemaakt na het verstrijken van de begunstigingstermijn. In die 'mits' zit de crux. De essentie van spoedeisende bestuursdwang is immers dat bestuursdwang kan worden toegepast zonder voorafgaande last, zodat er ook nooit een begunstigingstermijn zal verstrijken. De tekst van de wet staat dus in de weg aan het verhalen van kosten van voorbereiding bij spoedeisende bestuursdwang.
De Afdeling overweegt dat de kosten van juridische bijstand niet verhaald kunnen worden op de overtreder. Daarbij baseert de Afdeling zich niet alleen op de tekst van de wet, maar ook op de parlementaire geschiedenis. De Afdeling overweegt:
"In dit verband wordt gewezen op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:25, derde lid, van de Awb (Kamerstukken II 1994/1995, 23 700, nr. 5, p. 101) waarin - samengevat weergegeven - staat dat in gevallen waarin geen termijn wordt gegund omdat de uitoefening van bestuursdwang spoedeisend is, de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, ook voor zover zij zijn gemaakt na het besluit tot toepassing van bestuursdwang, voor rekening komen van het bestuursorgaan."Op zich is het logisch dat de kosten van juridische bijstand bij het opstellen van een bestuursdwangbeschikking niet verhaald kunnen worden. Dergelijke kosten kunnen immers ook bij toepassing van gewone bestuursdwang niet worden verhaald.
Wat minder logisch is, is dat de Afdeling onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis tot het algemene oordeel komt dat kosten van voorbereiding bij spoedeisende bestuursdwang niet kunnen worden verhaald.
De passage uit de parlementaire geschiedenis waarnaar de Afdeling verwijst komt uit de nota naar aanleiding van het verslag van de behandeling van het wetsvoorstel derde tranche Awb en is een antwoord op een vraag die gesteld is over het (huidige) derde lid van artikel 5:25 Awb. De door de Afdeling gegeven samenvatting is bijna een letterlijke weergave van die passage. Een uitleg wordt echter niet gegeven, terwijl de passage wel om een uitleg vraagt. Want waarom kunnen de kosten van voorbereiding bij spoedeisende bestuursdwang niet en bij reguliere bestuursdwang wel worden verhaald? Wie het weet, mag het zeggen.
LJN: BV0587
woensdag 14 december 2011
Handhaving growshop weer mislukt
Vz. Rechtbank Zwolle, 1 december 2011. Eerder heb ik aandacht besteed aan een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Hertogenbosch over de handhaving van het in de betrokken APV neergelegde verbod om zonder vergunning een coffeeshop te exploiteren. Ik constateerde toen dat de bestuurlijke aanpak van growshops tot nu toe weinig succesvol was. De uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zwolle onderstreept die constatering.
De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch oordeelde dat het verbod in de APV onvoldoende bepaald was en daardoor in strijd met de rechtszekerheid omdat onvoldoende duidelijk was wat onder 'growshop' moest worden verstaan. In dit geval had de burgemeester van Almere in een beleidsregel een nadere invulling gegeven van wat onder growshop verstaan diende te worden. Volgens die invulling moest onder 'growshop' worden verstaan:
"een voor publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, substanties, voorwerpen of gegevens, die gebruikt kunnen worden voor de teelt van hennep, worden bereid, bewerkt, verwerkt, te koop worden aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd of voorhanden zijn, waarvan de exploitant onder artikel 2:23 sub b van de Algemene Plaatselijke Verordening of de leidinggevende onder artikel 2:23 sub c onder 1, 2, 3 of het verantwoordelijke bestuursorgaan ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van één of meer in de Opiumwet strafbaar gestelde feiten."
Met deze invulling is voor de verzoeker en de voorzieningenrechter het begrip 'growshop' kennelijk wel voldoende bepaald, nu daar in de uitspraak verder niet op wordt ingegaan.
De voorzieningenrechter komt echter op feitelijke gronden tot het oordeel dat de burgemeester onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een 'growshop' wordt geëxploiteerd. Onvoldoende aannemelijk was dat de ruimte voor het publiek toegankelijk was. De verzoeker had betoogd dat alleen aan bedrijven werd geleverd en niet aan particulieren. Verder vond de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk dat de geleverde producten specifiek waren bedoeld voor de illegale teelt van hennep.
LJN: BU6542
De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch oordeelde dat het verbod in de APV onvoldoende bepaald was en daardoor in strijd met de rechtszekerheid omdat onvoldoende duidelijk was wat onder 'growshop' moest worden verstaan. In dit geval had de burgemeester van Almere in een beleidsregel een nadere invulling gegeven van wat onder growshop verstaan diende te worden. Volgens die invulling moest onder 'growshop' worden verstaan:
"een voor publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, substanties, voorwerpen of gegevens, die gebruikt kunnen worden voor de teelt van hennep, worden bereid, bewerkt, verwerkt, te koop worden aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd of voorhanden zijn, waarvan de exploitant onder artikel 2:23 sub b van de Algemene Plaatselijke Verordening of de leidinggevende onder artikel 2:23 sub c onder 1, 2, 3 of het verantwoordelijke bestuursorgaan ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van één of meer in de Opiumwet strafbaar gestelde feiten."
Met deze invulling is voor de verzoeker en de voorzieningenrechter het begrip 'growshop' kennelijk wel voldoende bepaald, nu daar in de uitspraak verder niet op wordt ingegaan.
De voorzieningenrechter komt echter op feitelijke gronden tot het oordeel dat de burgemeester onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een 'growshop' wordt geëxploiteerd. Onvoldoende aannemelijk was dat de ruimte voor het publiek toegankelijk was. De verzoeker had betoogd dat alleen aan bedrijven werd geleverd en niet aan particulieren. Verder vond de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk dat de geleverde producten specifiek waren bedoeld voor de illegale teelt van hennep.
LJN: BU6542
Weigering invorderingsbeschikking
Vz. Rechtbank 's-Hertogenbosch, 2 december 2011. Eerder heb ik een stukje geschreven over een opvallende uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Hertogenbosch, waarin de voorzieningenrechter aan het college van B en W van Helmond duidelijk liet weten niet gediend te zijn van de weifelende aanpak van een evidente overtreding. Naar nu blijkt was dat verhaal nog niet afgelopen.
Het college besloot, toen het niet meer anders kon, alsnog een last onder dwangsom op te leggen. De overtreder voerde de last niet uit en verbeurde daardoor twee dwangsommen. Het college liet per brief weten aan de overtreder dat het had besloten om vooralsnog niet tot invordering van deze dwangsommen over te gaan mits de overtreder geen nieuwe overtredingen zou begaan en binnen een bepaalde termijn een plan van aanpak zou presenteren en uitvoeren om verdere overtredingen te voorkomen.
Dat is overigens een aanpak die ik vaker tegenkom. Er wordt de last onder dwangsom opgelegd om een einde aan de overtreding te maken. Die last wordt niet uitgevoerd, waardoor de dwangsommen verbeurd raken. In plaats van die dwangsommen in te vorderen, "dreigt" het bestuursorgaan met invordering als de overtreder niet alsnog een einde aan de overtreding maakt. Een dergelijk handelen wordt vaak verdedigd door erop te wijzen dat het doel is om een einde aan de overtreding te maken en niet om dwangsommen te incasseren. Een dergelijke handelwijze is echter inconsequent en weinig effectief. Een ouder die zijn kind voor de derde maal waarschuwt dat hij deze keer toch echt straf krijgt als hij niet stopt met het pesten van zijn zusje, verliest ook zijn geloofwaardigheid.
De buurman, die tevens het verzoek tot handhaving had ingediend, maakte tegen die brief bezwaar en diende een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in.
De eerste vraag is of de brief wel een besluit omvat. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college op grond van artikel 5:37 lid 1 Awb een besluit omtrent invordering moet nemen en legt de brief uit als een weigering om een invorderingsbeschikking te nemen. Daarmee is de ingang gecreëerd, want een weigering om een beschikking te nemen wordt immers op grond van artikel 6:2 onder a van de Awb voor de mogelijkheid van bezwaar en beroep gelijkgesteld aan een besluit.
De volgende vraag had moeten zijn of de buurman wel als belanghebbende bij die weigering kan worden aangemerkt. Het college werpt deze vraag echter niet op en de voorzieningenrechter gaat er zonder meer van uit dat de buurman belanghebbende is. Waarschijnlijk is de overweging van de voorzieningenrechter geweest dat de buurman ook op grond van artikel 5:37 lid 2 Awb om invordering kan verzoeken, zodat hij zeker belanghebbende is bij een weigering verbeurde dwangsommen in te vorderen. Artikel 5:37 lid 2 Awb bepaalt echter dat een belanghebbende kan verzoeken om invordering. De vraag is dan welk belang van de buurman gediend is met de invordering van verbeurde dwangsommen. De buurman heeft belang bij het beëindigen van de overtreding en de overtreding wordt niet beëindigd door verbeurde dwangsommen in te vorderen. Michiels vindt dit een flauwe redenering. Hij vindt dat het evident de bedoeling van de wetgever is geweest om degene die een verzoek tot handhaving kan indienen ook de gelegenheid te bieden een verzoek tot invordering van verbeurde dwangsommen in te dienen. Dat kan zo zijn, maar dan had de wetgever dat maar moeten opschrijven. Vergelijk in dit verband ook artikel 5:31a lid 2 Awb. Daar heeft de wetgever wel expliciet bepaald dat, behalve andere belanghebbenden die door de overtreding worden benadeeld, de aanvrager van een last onder bestuursdwang kan verzoeken om uitvoering van bestuursdwang.
De derde vraag is wat de voorzieningenrechter kan doen. Hij kan immers niet kortsluiten omdat de procedure zich nog in de bezwaarfase bevindt. Schorsing van een weigering leidt niet tot invordering. De voorzieningenrechter kent echter geen enkele schroom en overweegt dat in dit geval geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die in de weg staan aan invordering. Sterker nog, hij overweegt dat er in dit geval eerder extra redenen zijn om wel in te vorderen. Hij oordeelt dan ook dat het bestuursorgaan alsnog een beslissing tot (en dus niet 'omtrent') invordering moet nemen en om er zeker van te zijn dat het college luistert, verbindt de voorzieningenrechter een dwangsom aan zijn veroordeling om binnen 10 dagen een beschikking tot invordering te nemen. De hoogte van de dwangsom bepaalt de voorzieningenrechter daarbij op hetzelfde bedrag als het bedrag waarop het college de dwangsom heeft vastgesteld.
Het is duidelijk dat de voorzieningenrechter het heeft gehad met de aanpak van het college van B en W van Helmond in deze zaak. Ik ben benieuwd wat het college gaat doen.
LJN: BU6782
Het college besloot, toen het niet meer anders kon, alsnog een last onder dwangsom op te leggen. De overtreder voerde de last niet uit en verbeurde daardoor twee dwangsommen. Het college liet per brief weten aan de overtreder dat het had besloten om vooralsnog niet tot invordering van deze dwangsommen over te gaan mits de overtreder geen nieuwe overtredingen zou begaan en binnen een bepaalde termijn een plan van aanpak zou presenteren en uitvoeren om verdere overtredingen te voorkomen.
Dat is overigens een aanpak die ik vaker tegenkom. Er wordt de last onder dwangsom opgelegd om een einde aan de overtreding te maken. Die last wordt niet uitgevoerd, waardoor de dwangsommen verbeurd raken. In plaats van die dwangsommen in te vorderen, "dreigt" het bestuursorgaan met invordering als de overtreder niet alsnog een einde aan de overtreding maakt. Een dergelijk handelen wordt vaak verdedigd door erop te wijzen dat het doel is om een einde aan de overtreding te maken en niet om dwangsommen te incasseren. Een dergelijke handelwijze is echter inconsequent en weinig effectief. Een ouder die zijn kind voor de derde maal waarschuwt dat hij deze keer toch echt straf krijgt als hij niet stopt met het pesten van zijn zusje, verliest ook zijn geloofwaardigheid.
De buurman, die tevens het verzoek tot handhaving had ingediend, maakte tegen die brief bezwaar en diende een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in.
De eerste vraag is of de brief wel een besluit omvat. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college op grond van artikel 5:37 lid 1 Awb een besluit omtrent invordering moet nemen en legt de brief uit als een weigering om een invorderingsbeschikking te nemen. Daarmee is de ingang gecreëerd, want een weigering om een beschikking te nemen wordt immers op grond van artikel 6:2 onder a van de Awb voor de mogelijkheid van bezwaar en beroep gelijkgesteld aan een besluit.
De volgende vraag had moeten zijn of de buurman wel als belanghebbende bij die weigering kan worden aangemerkt. Het college werpt deze vraag echter niet op en de voorzieningenrechter gaat er zonder meer van uit dat de buurman belanghebbende is. Waarschijnlijk is de overweging van de voorzieningenrechter geweest dat de buurman ook op grond van artikel 5:37 lid 2 Awb om invordering kan verzoeken, zodat hij zeker belanghebbende is bij een weigering verbeurde dwangsommen in te vorderen. Artikel 5:37 lid 2 Awb bepaalt echter dat een belanghebbende kan verzoeken om invordering. De vraag is dan welk belang van de buurman gediend is met de invordering van verbeurde dwangsommen. De buurman heeft belang bij het beëindigen van de overtreding en de overtreding wordt niet beëindigd door verbeurde dwangsommen in te vorderen. Michiels vindt dit een flauwe redenering. Hij vindt dat het evident de bedoeling van de wetgever is geweest om degene die een verzoek tot handhaving kan indienen ook de gelegenheid te bieden een verzoek tot invordering van verbeurde dwangsommen in te dienen. Dat kan zo zijn, maar dan had de wetgever dat maar moeten opschrijven. Vergelijk in dit verband ook artikel 5:31a lid 2 Awb. Daar heeft de wetgever wel expliciet bepaald dat, behalve andere belanghebbenden die door de overtreding worden benadeeld, de aanvrager van een last onder bestuursdwang kan verzoeken om uitvoering van bestuursdwang.
De derde vraag is wat de voorzieningenrechter kan doen. Hij kan immers niet kortsluiten omdat de procedure zich nog in de bezwaarfase bevindt. Schorsing van een weigering leidt niet tot invordering. De voorzieningenrechter kent echter geen enkele schroom en overweegt dat in dit geval geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die in de weg staan aan invordering. Sterker nog, hij overweegt dat er in dit geval eerder extra redenen zijn om wel in te vorderen. Hij oordeelt dan ook dat het bestuursorgaan alsnog een beslissing tot (en dus niet 'omtrent') invordering moet nemen en om er zeker van te zijn dat het college luistert, verbindt de voorzieningenrechter een dwangsom aan zijn veroordeling om binnen 10 dagen een beschikking tot invordering te nemen. De hoogte van de dwangsom bepaalt de voorzieningenrechter daarbij op hetzelfde bedrag als het bedrag waarop het college de dwangsom heeft vastgesteld.
Het is duidelijk dat de voorzieningenrechter het heeft gehad met de aanpak van het college van B en W van Helmond in deze zaak. Ik ben benieuwd wat het college gaat doen.
LJN: BU6782
dinsdag 13 december 2011
Omschrijving herstelmaatregelen
Vz. ABRvS, 7 december 2011. De staatssecretaris van I en M had aan een bedrijf dat in strijd met artikel 10.60 van de Wet milieubeheer asfalgranulaat had overgebracht naar Litouwen de last onder dwangsom opgelegd om artikel 10.60 Wm. niet meer te overtreden. De overtreder betoogde dat deze last ten onrechte niet was toegespitst op de begane overtreding. Naar de mening van de overtreder had uitsluitend de last opgelegd mogen worden om geen asfaltgranulaat meer naar Litouwen over te brengen in strijd met artikel 10.60 Wm.
Artikel 5:32a lid 1 Awb bepaalt dat de last onder dwangsom de te nemen herstelmaatregelen omschrijft. De voorzitter van de Afdeling overweegt dat uit dit artikel niet volgt dat de last moet zijn toegespitst op de geconstateerde overtreding. In dit geval was de last omschreven in termen van bepalingen die door de overtreder waren overtreden en de voorzitter oordeelde dit niet in strijd met artikel 5:32a lid 1 Awb.
http://bit.ly/uEi1Sd
Artikel 5:32a lid 1 Awb bepaalt dat de last onder dwangsom de te nemen herstelmaatregelen omschrijft. De voorzitter van de Afdeling overweegt dat uit dit artikel niet volgt dat de last moet zijn toegespitst op de geconstateerde overtreding. In dit geval was de last omschreven in termen van bepalingen die door de overtreder waren overtreden en de voorzitter oordeelde dit niet in strijd met artikel 5:32a lid 1 Awb.
http://bit.ly/uEi1Sd
woensdag 7 december 2011
Een verstreken begunstigingstermijn kan niet worden verlengd
ABRvS, 7 december 2011. Het college van B en W van Halderberge had een last onder dwangsom opgelegd. Het daartegen gemaakte bezwaar verklaarde het college ongegrond.
De overtreder stelde beroep in en diende een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in. De voorzieningenrechter deed meteen uitspraak in de hoofdzaak. Hij verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de beslissing op bezwaar, maar liet de rechtsgevolgen van die beslissing in stand. Tegelijkertijd trof de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening (op de voet van artikel 8:72 lid 5 Awb) dat de begunstigingstermijn werd verlengd tot zes weken vanaf de dag van verzending van de uitspraak.
In hoger beroep stelde het college dat de voorzieningenrechter deze voorlopige voorziening niet had kunnen treffen omdat de dwangsommen ten tijde van de uitspraak al tot het maximumbedrag waren verbeurd. De Afdeling overweegt dat een verstreken begunstigingstermijn inderdaad niet kan worden verlengd en vernietigt de uitspraak van de rechtbank.
LJN: BU7090
De overtreder stelde beroep in en diende een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in. De voorzieningenrechter deed meteen uitspraak in de hoofdzaak. Hij verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de beslissing op bezwaar, maar liet de rechtsgevolgen van die beslissing in stand. Tegelijkertijd trof de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening (op de voet van artikel 8:72 lid 5 Awb) dat de begunstigingstermijn werd verlengd tot zes weken vanaf de dag van verzending van de uitspraak.
In hoger beroep stelde het college dat de voorzieningenrechter deze voorlopige voorziening niet had kunnen treffen omdat de dwangsommen ten tijde van de uitspraak al tot het maximumbedrag waren verbeurd. De Afdeling overweegt dat een verstreken begunstigingstermijn inderdaad niet kan worden verlengd en vernietigt de uitspraak van de rechtbank.
LJN: BU7090
Abonneren op:
Posts (Atom)