vrijdag 27 april 2012

Handhaving hennepkwekerij

ABRvS, 25 april 2012. Het college van B en W van Eindhoven ontdekte een hennepkwekerij in een garagebox en paste onmiddellijk bestuursdwang toe op de voet van artikel 5:31 lid 2 Awb.

Grondslag handhavingsbesluit
Aan dit besluit legde het college ten grondslag de overtreding van de volgende wettelijke voorschriften:
  1. het in het bestemmingsplan opgenomen gebruiksverbod;
  2. artikel 2.9.1 sub a Besluit brandveilig gebruik bouwwerken;
  3. artikel 2.52 lid 1 Bouwbesluit 2003;
  4. artikel 1a lid 2 Woningwet.
Ad 2 en 3.
Artikel 2.9.1 sub a Besluit brandveilig gebruik bouwwerken bepaalde dat het verboden was om in, op, aan of nabij een bouwwerk voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, werktuigen, middelen of voorzieningen te gebruiken of niet te gebruiken of anderszins belemmeringen op te werpen of hinder te veroorzaken waardoor brandgevaar wordt veroorzaakt.

Artikel 2.52 lid 1 Bouwbesluit 2003 bepaalde dat een bestaand bouwwerk een veilige voorziening voor elektriciteit heeft.

Uit het feit dat de Afdeling overweegt dat vast staat dat deze voorschriften zijn overtreden, leid ik af dat de elektriciteitsvoorziening niet veilig was en dat daardoor gevaar voor brand bestond.

Beide Besluiten zijn met de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 komen te vervallen. Hoewel ik het Bouwbesluit 2012 niet helemaal uitgeplozen heb, bevatten volgens mij de artikelen 2.62 lid 1 en 6.1 Bouwbesluit 2012 vergelijkbare voorschriften.

Ad 4.
Artikel 1a lid 2 Woningwet bepaalt dat een ieder die een bouwwerk bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat gebruiken, er voor zorgt, voor zover dat in diens vermogen ligt, dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat artikel 1a lid 2 Woningwet alleen gehandhaafd kan worden als in het desbetreffende geval geen bij of krachtens de Woningwet gegeven voorschrift van meer specifieke aard valt aan te wijzen op grond waarvan in afdoende mate kan worden opgetreden ter voorkoming of beƫindiging van het geconstateerde gevaar. Ook in die zaak ging het over een hennepkwekerij. Het bevoegd gezag had geconstateerd dat de elektriciteitsvoorziening onvakkundig was aangelegd, waardoor er gevaar voor brand, elektrocutie en kortsluiting bestond. De Afdeling oordeelde dat geen specifieker voorschrift dan artikel 1a lid 2 Woningwet ten grondslag kon worden gelegd aan het besluit om bestuursdwang toe te passen.

In deze zaak worden artikel 2.52 lid 1 Bouwbesluit 2003 en artikel 2.91 sub a Besluit brandveilig gebruiken bouwwerken genoemd als twee specifieke voorschriften die werden overtreden. Beide voorschriften zijn bij of krachtens de Woningwet gesteld en zien specifiek op het voorkomen van een onveilige en brandgevaarlijke situatie. Toch overweegt de Afdeling zonder nadere motivering dat vast staat dat (ook) artikel 1a lid 2 Woningwet is overtreden. Kennelijk heeft de appellant daar geen punt van gemaakt.

Het gevaar wordt kennelijk veroorzaakt door de onvakkundig aangelegde elektriciteitsvoorziening. Wat gebeurt er als er bij de hennepkwekerij wel een vakkundig aangelegde elektriciteitsvoorziening is en er niet aannemelijk gemaakt kan worden dat er een gevaarlijke situatie is?

In dat geval zal geen sprake zijn van een overtreding van het Bouwbesluit 2013. Wel blijft er sprake van een overtreding van het gebruiksverbod van het bestemmingsplan.De vraag rijst dan echter of het geval dan dermate spoedeisend is dat op de voet van artikel 5:31 lid 2 Awb zonder oplegging van een last kan worden overgegaan tot het toepassen van bestuursdwang.

Herstelmaatregelen
Het college had bestuursdwang toegepast door de elektriciteitsvoorziening af te sluiten en door alle zaken die betrekking hadden op de hennepkwekerij te verwijderen. De appellant betoogde dat het college had moeten volstaan met het afsluiten van de elektriciteitsvoorziening. De Afdeling overweegt dat de bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen de bevoegdheid omvat om alles te doen wat nodig is om een einde aan de overtreding te maken. De Afdeling oordeelt vervolgens dat met het enkel afsluiten van de elektriciteitsvoorziening de kans bestaat dat een nieuwe aansluiting op het elektriciteitsnet zal worden gemaakt en de exploitatie van de hennepkwekerij wordt voortgezet. Daar voegt de Afdeling nog aan toe dat met het enkel afsluiten van de elektriciteitsvoorziening geen einde wordt gemaakt aan de overtreding van het bestemmingsplan.

Verhaal kosten

De appellant betoogde dat het college bekend was met de identiteit van de gebruiker van de garagebox en dat het college daarom de kosten op die persoon had moeten verhalen en niet op hem. De Afdeling overweegt dat ook de appellant als overtreder kan worden aangemerkt, zodat het college had kunnen besluiten om de kosten van bestuursdwang op hem te verhalen. Dat het college ook bevoegd was om deze kosten te verhalen op de andere overtreder, doet daar niet aan af.

De appellant betoogde tot slot dat de opsporing en ontmanteling van de hennepkwekerij een taak van de politie is en dat de overtreder in dat geval de kosten van ontmanteling niet verschuldigd geweest zou zijn. Ook daarom vond de appellant het niet redelijk dat de kosten op hem verhaald werden. De Afdeling overweegt dat het college in het feit dat de hennepkwekerij ook door de politie ontmanteld had kunnen worden terecht geen aanleiding heeft gezien om de kosten niet op appellant te verhalen.
LJN: BW3837 

maandag 23 april 2012

Handhaving permanente bewoning van recreatiewoningen; een crime?

ABRvS, 18 april 2012. De huisvesting van buitenlandse werknemers op camping 'Dijnselburg' in Zeist blijft het college van B en W van Zeist kopzorgen bezorgen.

Twee uitzendorganisaties (Otto en Adecco) brachten hun buitenlandse werknemers onder in chalets op de camping. Zij hadden hiertoe met de eigenaar van de camping huurovereenkomsten gesloten. Het college besloot daarop een last onder dwangsom op te leggen aan de eigenaar van de camping en de uitzendorganisaties. 

Hen werd verweten dat zij in strijd handelden met het specifieke en het algemene gebruiksverbod. Het specifieke gebruiksverbod bepaalt dat het verboden is om een chalet te gebruiken of te laten gebruiken voor permanente bewoning. Het algemene gebruiksverbod bepaalt dat het verboden is om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de bestemming. 

Toen de last was uitgewerkt legde het college een nieuwe last onder dwangsom op. Het verzoek tot schorsing van dat besluit werd door de voorzieningenrechter afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelde daarbij dat de eigenaar terecht ook als overtreder van het algemene gebruiksverbod was aangemerkt, nu de eigenaar als medepleger kon worden aangemerkt. 

Op 18 augustus 2011 deed de rechtbank uitspraak op het beroep dat door de eigenaar was ingesteld tegen het eerste dwangsombesluit. 

De rechtbank oordeelde dat de eigenaar ten onrechte als overtreder van het specifieke gebruiksverbod was aangemerkt omdat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de chalets permanent werden bewoond als bedoeld in de begripsbepaling van het bestemmingsplan. Daarin stond dat onder permanente bewoning moet worden verstaan het gebruik van een kampeermiddel dat noopt tot inschrijving op grond van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. De rechtbank overweegt dat een persoon zich op grond van de Wet GBA moet inschrijven in de gba van een gemeente als hij/zij naar verwachting daar de komende zes maanden vier maanden verblijf zal houden. De rechtbank constateerde dat het college de bewoning van de chalets niet tot individuele personen had kunnen terugleiden en ook anderszins niet aannemelijk had kunnen maken dat voldaan werd aan de zgn. vier uit zes eis. 

Verder oordeelde de rechtbank dat het college de eigenaar ten onrechte als overtreder van het algemeen gebruiksverbod had aangemerkt. 

Dit verbod richt zich uitsluitend tot de gebruiker. De eigenaar was weliswaar geen gebruiker, maar werd door het college als medepleger aangemerkt en op die grond als overtreder. De rechtbank overwoog echter dat het oude recht van toepassing was op deze zaak, zodat artikel 5:1 lid 2 Awb (waarin bepaald is dat een medepleger als overtreder wordt aangemerkt) in dit geval niet van toepassing was. 

Het college kon zich niet vinden in deze uitspraak. In hoger beroep stelde het college dat de rechtbank ten onrechte de bewijslast van de overtreding van het specifieke gebruiksverbod bij het college had gelegd. Het college vond dat, nu de eigenaar, in strijd met zijn verplichting, geen register had bijgehouden van de bewoners van de chalets en (beweerdelijk) de bewoners verbood zich in te schrijven in het GBA, de bewijslast op de eigenaar behoorde te rusten. De Afdeling oordeelt echter dat dit niet afdoet aan het feit dat het aan het college is om, nu de permanente bewoning in het bestemmingsplan gekoppeld is aan de inschrijving in het GBA, de bewoning van de chalets te herleiden tot individuele personen en aannemelijk te maken dat deze personen voldoen aan de vier uit zes eis. 

Ook de grief van het college tegen het oordeel dat niet bewezen is dat de eigenaar als overtreder van het algemeen gebruiksverbod kan worden aangemerkt, slaagt niet. 

Het college bestreed niet dat artikel 5:1 lid 2 Awb niet van toepassing was. Wel vond het college dat de eigenaar toch als overtreder kon worden aangemerkt, nu hij de camping had veranderd in een woonwijk voor buitenlandse werknemers. De Afdeling is echter onverbiddelijk. Het algemeen gebruiksverbod richt zich uitsluitend tot de gebruikers en niet tot degenen die laten gebruiken. De Afdeling is van oordeel dat de eigenaar niet als gebruiker van de chalets kan worden aangemerkt. 
LJN: BW3029




woensdag 18 april 2012

Wie is de overtreder van het verbod van artikel 5.7 APV?

ABRvS, 18 april 2012. Op grond van artikel 5.7 van de APV van Groningen is het verboden om een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. Onder parkeren wordt in de APV verstaan: parkeren, als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het RVV 1990. Dat artikel bepaalt dat onder parkeren moet worden verstaan: het laten stilstaan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.

De vraag die rees is wie als overtreder van het verbod van artikel 5.7 APV kan worden aangemerkt. 

Het college van B en W van Groningen had aan de eigenaar van een promotieverhuurvoertuig een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 5.7 APV. De eigenaar betoogde dat hij het voertuig had verhuurd, zodat niet hij, maar de huurder als overtreder aangemerkt moest worden. 

De Afdeling stelt de eigenaar in het gelijk en overweegt dat de term parkeren uitsluitend ziet op degene die de feitelijke beschikking over het voertuig heeft:
"Het woord "laten" in artikel 1, onder ac, van het RVV 1990 ziet op het voortdurend blijven staan van een voertuig en derhalve op de toestand van dat voertuig. Met die term wordt niet gedoeld op het verrichten van een handeling in opdracht of met goedvinden van een ander."
LJN: BW3043



woensdag 4 april 2012

Ten onrechte beslist op bezwaar tegen invorderingsbeschikking

ABRvS, 4 april 2012. Wat te doen als het college van B en W in strijd met artikel 5:39 lid 1 Awb beslist op het bezwaar tegen een beschikking tot invordering van verbeurde dwangsommen?

Het college van B en W van Wassenaar had hangende het hoger beroep tegen een door het college opgelegde last onder dwangsom besloten tot invordering van een verbeurde dwangsom. De overtreder diende daartegen een bezwaarschrift in bij het college.

Op grond van artikel 5:39 lid 1 Awb wordt het hoger beroep geacht mede betrekking te hebben op de invorderingsbeschikking, voor zover de belanghebbende die beschikking betwist. Dat de overtreder de invorderingsbeschikking betwistte stond in dit geval wel vast. Het college liet echter na om het bezwaar door te sturen aan de Afdeling. Het besliste zelf op het bezwaar.

De overtreder stelde beroep in tegen deze beslissing bij de rechtbank en de rechtbank stuurde het beroep door aan de Afdeling. De Afdeling oordeelt dat de bestreden beslissing op bezwaar is genomen in strijd met artikel 5:39 lid 1 Awb en verbindt hieraan het gevolg dat de beslissing moet worden vernietigd. Vervolgens beoordeelt de Afdeling het hoger beroep tegen de invorderingsbeschikking inhoudelijk en wijst het dit hoger beroep af.
LJN: BW0743

woensdag 28 maart 2012

Verzetprocedure wordt executiegeschil

Kantonrechter Zwolle, 22 maart 2012. Sinds de inwerkingtreding van de vierde tranche op 1 juli 2009 kan geen verzet meer worden ingesteld tegen het dwangbevel tot invordering van verbeurde dwangsommen of kosten van bestuursdwang. Geschillen over de invordering vallen nu, via de invorderingsbeschikking en de kostenbeschikking, onder de competentie van de bestuursrechter. Blijft de overtreder in gebreke met de betaling, dan kan het bestuursorgaan een dwangbevel uitvaardigen. Tegen dat dwangbevel kan de overtreder een executiegeschil op de voet van artikel 438 Rv. aanhangig maken.

Het komt toch nog geregeld voor dat overtreders - al dan niet onder invloed van een verkeerde rechtsmiddelenverwijzing - een verzetprocedure op de voet van het oude artikel 5:26 Awb aanhangig maken in plaats van een executiegeschil op de voet van artikel 438 Rv. De vraag is dan hoe met een dergelijke procedure moet worden omgegaan.

De Rechtbank Rotterdam oordeelde op 15 juni 2011 verklaarde het verzet tegen een dwangbevel dat onder het nieuwe recht was uitgevaardigd niet-ontvankelijk omdat niet gesteld of gebleken was dat het geschil als executiegeschil moest worden aangemerkt.

De kantonrechter van de Rechtbank Zwolle oordeelt anders:
"Hoewel het uitvaardigen van het dwangbevel nog niet het ten uitvoer leggen ervan inhoudt, moet in het systeem van rechtsbescherming, zoals dat de wetgever voor ogen heeft gestaan, het dwangbevel wel worden aangemerkt als een eerste stap in de executiefase. Derhalve moet het oordeel luiden dat ingevolge artikel 438 Rv. de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van een executiegeschil inzake een dwangbevel. De zaak is aangebracht bij dagvaarding en voldoet daarmee aan de voorwaarde om een executiegeschil aanhangig te maken. Dat daarbij tevens is aangezegd dat [eisende partij] in verzet komt, maakt dat niet anders."
In deze zaak was primair gevorderd dat de overtreder zou worden ontheven van het dwangbevel. De vordering richt zich dus tot het dwangbevel en niet tot de executie van het dwangbevel. Vandaar dat de kantonrechter zich genoodzaakt zag om de uitvaardiging (en niet de betekening) van het dwangbevel als een eerste stap in de executiefase aan te merken.

Als het geschil is gericht tegen het dwangbevel en niet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, dan vind ik de benadering van de Rechtbank Rotterdam het meest zuiver.

De Rechtbank Dordrecht sluit zich in haar uitspraak van 30 mei 2012 aan bij de benadering van de Rechtbank Rotterdam. De rechtbank overweegt in een zelfde zaak:

"De vordering van [eiser] kan niet anders worden begrepen als een verzet-procedure op de voet van artikel 5:26 van de oude Awb. [eiser] stelt weliswaar in de verzetdagvaarding dat het geschil tussen partijen een executiegeschil betreft, maar zijn vordering strekt daartoe niet. Ook zijn inhoudelijke verweer ziet op de geldigheid van het dwangbevel en niet op de feitelijke tenuitvoerlegging daarvan. Dit betekent dat [eiser] niet-ontvankelijk verklaard moet worden in zijn vordering voor zover die betrekking heeft op de [adres 1]."

LJN: BV9649
Het laatste woord hierover zal echter nog niet gesproken zijn.

vrijdag 23 maart 2012

Wie is overtreder van het Gebruiksbesluit?

ABRvS, 21 maart 2012. Het college van B en W van Eindhoven had een last onder dwangsom opgelegd aan de eigenaar van een studentenhuis vanwege overtreding van artikel 2.9.1 van het Gebruiksbesluit. De vluchtroutes in het studentenhuis waren geblokkeerd. 

De eigenaar betoogde dat de studenten als overtreders aangemerkt hadden moeten worden en niet hij. De Afdeling stelde de eigenaar in het ongelijk.

Artikel 8 lid 8 van de Woningwet bepaalt dat bij amvb regels gegeven kunnen worden over de inhoud van de voorschriften als bedoeld in artikel 8 lid 2, 6 en 7. Het Gebruiksbesluit is een amvb in die zin en bevat regels over de inhoud van voorschriften als bedoeld in artikel 8 lid 2. Artikel 7b lid 2 sub a Woningwet bepaalt dat het verboden is om een bouwwerk te gebruiken of te laten gebruiken anders dan in overeenstemming met de op dat gebruik van toepassingzijnde voorschriften bedoeld in artikel 8 lid 2 onderdeel a Woningwet. Aldus, zo overweegt de Afdeling, is ook degene die het bouwwerk laat gebruiken in strijd met het Gebruiksbesluit als overtreder aan te merken.
LJN: BV9506

woensdag 29 februari 2012

Sluiting winkels in verband met aanwezigheid asbest

ABRvS, 22 februari 2011. Op dezelfde dag heeft de Afdeling in twee verschillende zaken uitspraak gedaan over de toepassing van spoedeisende bestuursdwang in verband met de aanwezigheid van asbest. De uitspraken vertonen interessante parallellen en verschillen.

Zandvoort
De eerste zaak speelde zich af in Zandvoort. Daar was in de magazijnruimte van een winkelpand asbest geconstateerd. In de rapportage van de risicoanalyse werd geadviseerd om de aanwezige asbest op korte termijn te saneren en om tot die tijd de magazijnruimte af te sluiten voor derden. Tevens werd geadviseerd om een asbestonderzoek in de naastgelegen ruimtes te laten uitvoeren om een eventuele asbestbesmetting in die ruimtes in kaart te brengen.

Het college besloot daarop tot de toepassing van spoedeisende bestuursdwang wegens overtreding van artikel 7.3.2 aanhef en onder c van de Bouwverordening. Dat artikel bepaalt dat het verboden is om in een bouwwerk stoffen te hebben of handelingen na te laten waardoor gevaar wordt veroorzaakt. De spoedeisende bestuursdwang bestond hieruit dat het gehele winkelpand werd gesloten en de toegang werd verzegeld.

Er is geen discussie over de vraag of sprake is van een overtreding van artikel 7.3.2 aanhef en onder c van de Bouwverordening. De Afdeling constateert dat uit de toelichting op dit artikel blijkt dat het artikel kan worden toegepast voor het verwijderen van asbesthoudende materialen die zich in een zodanige staat bevinden dat er een risico op verspreiding van de asbestvezels of -stof te vrezen valt.

Wel is er discussie over de maatregelen die het college heeft getroffen. De eigenaar van het pand vindt dat het college, nu alleen asbest in de magazijnruimte was aangetroffen, niet tot sluiting van het gehele winkelpand had mogen overgaan. De Afdeling wijst dit argument af. Daarbij overweegt zij dat van belang is (1) dat uit de onderzoeken niet is gebleken dat de winkelruimte besmettingsvrij was, (2) dat de kleding die in de winkelruimte hangt eerst in het magazijn heeft gehangen en daardoor sporen van asbest kan bevatten en (3) dat het toilet en de keuken in het pand uitsluitend zijn te bereiken via de magazijnruimte.

's-Gravenzande
In 's-Gravenzande staat het winkelcentrum De Koningswerf. In 2008 werd, in het kader van een voorgenomen sloop van dit winkelcentrum, een asbestinventarisatie uitgevoerd. Uit dat onderzoek bleek dat in de winkelruimte van Blokker asbestplaten in het plafond zaten en dat een urgente sanering van die asbestplaten vereist was. Verder bleek dat op een andere plek in het centrum nog asbest in de gang aanwezig was en dat in het gehele winkelcentrum sprake was van een asbestbestemming boven de verlaagde plafonds. Uit het onderzoek bleek echter ook dat er geen actueel risico was voor de gebruikers van het winkelcentrum omdat er geen verhoogde concentratie aan asbestvezels in de lucht was aangetroffen.

Vervolgens werd begonnen met het treffen van voorbereidingen voor de sloop. In dat kader is er bij de winkel van Blokker een afsluitende schutting geplaatst, waarbij enkele lamellen zijn afgebroken. Bij het bedrijf dat de sanering uitvoerde ontstond vervolgens het vermoeden dat hierbij asbest was vrijgekomen. Uit nader onderzoek bleek dat in de nabijheid van de winkel van Blokker een concentratie asbestvezels aanwezig was met een verwaarloosbaar risiconiveau, maar dat ter hoogte van het plafond zeer veel asbest aanwezig was. Daarop besloot het college van B en W van Westland tot het toepassen van spoedeisende bestuursdwang door onmiddellijk tot sluiting van het gehele winkelcentrum over te gaan vanwege gevaar voor de volksgezondheid.

Het bezwaar tegen dit besluit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de beslissing op bezwaar gegrond en vernietigde deze beslissing. Daarop stelde het college hoger beroep in.

De grondslag voor de toepassing van spoedeisende bestuursdwang was volgens het college gelegen in de overtreding van artikel 1a Woningwet. Dat artikel bevat de plicht voor de eigenaar van een bouwwerk en een ieder die een bouwwerk bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt om ervoor te zorgen dat er geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat als gevolg van de staat van het bouwwerk of als gevolg van het bouwen, gebruiken of slopen ervan.

De rechtbank overwoog dat, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling, handhavend optreden wegens overtreding van artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet alleen aan de orde komt als in het betreffende geval geen bij of krachtens de Woningwet gegeven voorschrift van meer specifieke aard valt aan te wijzen op grond waarvan in afdoende mate kan worden opgetreden ter voorkoming of beĆ«indiging van het geconstateerde gevaar. Vervolgens constateerde de rechtbank dat er geen specifiekere grondslag is, zodat het college in beginsel op grondslag van artikel 1a Woningwet tot handhaving had mogen overgaan. Gelet op de grondslag van het hierboven besproken handhavingsbesluit van het college van B en W van Zandvoort, kan wel een vraagteken bij deze overweging worden geplaatst. In de Bouwverordening van de gemeente Westland staat namelijk eenzelfde soort bepaling als in artikel 7.3.2 van de Bouwverordening van de gemeente Zandvoort.

De rechtbank overwoog verder dat niet gebleken was dat als gevolg van het afbreken van de lamellen asbest is vrijgekomen, dat weliswaar een verhoogde concentratie asbest in het plafond is geconstateerd, maar dat niet gebleken was van enige depositie van die asbest. Naar het oordeel van de rechtbank was er dan ook geen sprake van een zgn. kantelmoment ten opzichte van de situatie tot dat moment dat het college had kunnen doen besluiten om alsnog tot handhaving over te gaan.

In haar uitspraak van 10 augustus 2011 overwoog de Afdeling dat de rechtszekerheid vereist dat de overtreder vooraf wel moet kunnen weten dat hij/zij in strijd handelt met de zorgplicht. Dat roept de vraag op wanneer daarvan sprake is. De rechtbank beantwoordt die vraag aan de hand van de asbestnormen voor de lucht die volgen uit artikel 2.5 lid 1 van de Regeling Bouwbesluit 2003. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt niet dat die normen overtreden worden. Dat brengt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een overtreding van artikel 1a Woningwet.

In hoger beroep oordeelt de Afdeling dat het feit dat het college aanvankelijk besloot om niet handhavend op te treden onverlet laat dat het college wel tot handhavend optreden mocht besluiten na het afbreken van de lamellen en de nieuwe inzichten die daarop zijn ontstaan over de aanwezigheid van het asbest. Volgens de Afdeling heeft de rechtbank dat ten onrechte niet onderkend.

De volgende overwegingen van de Afdeling gaan alleen nog maar over de vraag of het college gebruik had kunnen maken van de bevoegdheid op de wijze waarop het college dat heeft gedaan. Met andere woorden: voor de Afdeling staat vast dat sprake is van een overtreding van artikel 1a Woningwet. De Afdeling motiveert echter niet waarom vast staat dat artikel 1a Woningwet wordt overtreden. Dat is jammer omdat daarover nog wel een boom was op te zetten.

De Afdeling komt uiteindelijk toch tot een bevestiging van de uitspraak van de rechtbank omdat naar het oordeel van de Afdeling geen sprake was van een zodanig gevaar voor de volksgezondheid dat het gerechtvaardigd was om het hele winkelcentrum te sluiten.